BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2012-2013
________
28 mei 2013
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 5-9157

de Sabine Vermeulen (N-VA)

aan de vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee
________
Noordzee - Dumpen van chemicaliŽn - Controles - Gevolgen - Wetgeving
________
chemische verontreiniging
vervuiling van de zee
Noordzee
officiŽle statistiek
maritiem toezicht
in zee storten van afvalstoffen
verontreiniging door schepen
scheepsbrandstof
________
28/5/2013Verzending vraag
3/7/2013Antwoord
________
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 5-9157 d.d. 28 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Terwijl het lozen van olie op zee de jongste jaren is gedaald, is het dumpen van chemicaliŽn aan een opmars bezig. Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Philippe Courard en de Beheerseenheid van het Mathematisch Model voor de Noordzee (BMM) waarschuwden voor die trend op de voorstelling van het vernieuwde vliegtuig dat verontreinigingen opspoort.

Hierover heb ik de volgende vragen:

1) Wie voert de controles uit met het vernieuwde vliegtuig dat de chemische verontreinigingen opspoort?

2) Hoeveel controles zijn er dit jaar gepland?

3) Wat gebeurt er wanneer het vliegtuig een schip ontdekt dat chemicaliŽn aan het lozen is? Hoe wordt dat schip gesanctioneerd?

4) Graag kreeg ik een overzicht van het aantal lozingen van chemicaliŽn en de soorten chemicaliŽn in 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012.

5) Staatssecretaris Philippe Courard en het BMM wijten de stijging van het aantal lozingen van chemicaliŽn aan lacunes in de wetgeving. Over welke lacunes gaat het hier? Hoe denkt de minister die hiaten te herstellen?

6) In Nederland is recent een grootscheepse controleactie gehouden tegen fraude met bunkerolie, waaraan giftige chemicaliŽn werden toegevoegd om het volume van de bunkerolie te doen toenemen. Wordt in BelgiŽ controle uitgevoerd op het mengen van bunkerolie met gevaarlijke stoffen? Hoeveel controles worden uitgevoerd en met welk resultaat?

Antwoord ontvangen op 3 juli 2013 :

1)  De Beheerseenheid Mathematisch Model van de Noordzee (BMM) is sinds 1991 belast met het uitvoeren van toezichtsvluchten voor de opsporing en vervolging van alle illegale lozingen door schepen in en rond de Belgische zeegebieden zowel voor de olie- als de chemische verontreinigingen.

2)  Elk jaar worden zo'n 250 vlieguren gepland voor het uitvoeren van toezichtsvluchten boven de Noordzee. Deze uren worden verspreid over ca. 110 vliegdagen per jaar. Ongeveer 150 uur is voorbehouden aan de hoofdopdracht, zijnde de controle van de Belgische zeegebieden op illegale scheepslozingen. Tijdens de andere opdrachten zoals tijdens de visserijcontrolevluchten in samenwerking met Dienst Voor de Zeevisserij van de Vlaamse Overheid (DVZ) wordt ook actief (door piloten en BMM waarnemers) en passief (door radar) controle uitgevoerd op illegale verontreinigingen.

3)  Eerst wordt de inbreuk, die gedurende een toezichtsvlucht werd vastgesteld, zo snel mogelijk gedocumenteerd, waarbij vooral foto-, film- en sensorbeelden worden genomen van de scheepslozing en van het schip zelf.

Na een volledige documentatie van de vastgestelde vermoedelijke inbreuk proberen de agenten radiocontact op te nemen met het schip dat verdacht wordt van een MARPOL-inbreuk om een verklaring af te nemen van de kapitein of de officier van wacht, hierbij wordt onder andere nagegaan om welke stof het gaat en of de lozingsvoorwaarden al dan niet vervuld zijn.

Vervolgens wordt “in-flight” radiocontact opgenomen met de Kustwachtcentrale (MIK - Maritiem Informatie Kruispunt), die mondeling wordt ingelicht van de inbreuk met als doel diensten die voor de opvolging instaan op de hoogte te brengen. De mondelinge rapportage wordt onmiddellijk na de vlucht bevestigd met een initieel schriftelijk rapport van vaststelling dat digitaal wordt overgemaakt aan het MIK, die dit rapport dan doorstuurt naar de andere bevoegde overheidsdiensten zoals Scheepvaartpolitie, Scheepvaartcontrole en DG Leefmilieu.

Indien de vermoedelijke overtreding in de ons omringende wateren van een buurland plaatsvond (van Frankrijk, Groot-Brittannië of Nederland) wordt het initiële rapport via de Belgische Kustwachtcentrale MIK, die fungeert als Belgisch ‘National Contact Point’ in het kader van het Akkoord van Bonn, overgemaakt aan de bevoegde instanties van dit buurland.

Wie de leiding neemt in de verdere politionele of gerechtelijke opvolging, hangt in grote mate af van de plaats van de inbreuk en de vlag van het schip :

  • Indien het een Belgisch schip betreft, of een vreemd schip dat de inbreuk beging in Belgische wateren (territoriale zee of EEZ), neemt een Belgische Procureur de leiding van het daaropvolgend onderzoek, in nauwe samenwerking met de bevoegde politionele diensten; de Scheepvaartpolitie treedt in deze coördinerend op tussen de Procureur en de andere politionele diensten. Na beoordeling van het dossier zal de Procureur in de meeste gevallen een volledig MARPOL-onderzoek in de volgende aanloophaven van het verdachte schip aanvragen, uitgevoerd door de maritieme politie- en inspectiediensten in die haven. Ingeval de volgende aanloophaven een buitenlandse haven betreft – wat meestal het geval is – kan voor dringende rechtshulpverzoeken via de Interpol-kanalen worden gewerkt, terwijl voor een technische haveninspectie het netwerk van het Port State Control Memorandum wordt geactiveerd.

  • Indien de inbreuk plaatsvond in wateren van een buurland, zijn het de bevoegde autoriteiten van dit buurland die de leiding hebben in het verdere onderzoek. 

Indien de gegevens van de luchtwaarneming en het MARPOL onderzoek uitwijzen dat er inderdaad een MARPOL overtredingen begaan werd, wordt binnen de 14 dagen na vaststelling door BMM-agenten een proces-verbaal van vaststelling opgesteld, die dan – vnl. afhankelijk van de plaats van vaststelling of vlag van het schip (zie hoger) - naar het bevoegde Parket in België, of via diplomatieke of gerechtelijke kanalen naar de bevoegde autoriteiten van een naburige Kuststaat wordt overgemaakt.

4) De volgende cijfers omvaten het aantal lozingen van chemicalien, plantaardige olie en onbekende stoffen in de periode 2008-2012.

Aard van de stof

2008

2009

2010

2010

2012

Chemicaliën

1

1

-

2

3

Plantaardige olie

3

2

-

2

1

Ongekende detectie (mogelijks chemicaliën of natuurlijke bloei)

8

6

-

6

2

5) De regelgeving omtrent scheepslozingen wordt bepaald door de MARPOL (MARine POLlution) Conventie van de International Maritime Organisation (IMO), meer in het bijzonder bepaalt MARPOL Annex II dat de lozing van chemische stoffen verboden is, tenzij aan bepaalde voorwaarden voldaan is. Deze voorwaarden hebben betrekking tot :

  • de aard van de stof (kategorie X, Y of Z) ;

  • de afstand tot de kust moet minimaal 12 nautical miles bedragen ;

  • de vaarsnelheid dient hoger te zijn dan 7 knopen ;

  • de lozing moet  onder de waterlijn plaatsvinden ;

  • de diepte dient minimaal 25 m te bedragen ;

  • voor bepaalde stoffen dienen de “voorspoelingsvereisten” (prewash) vervuld te zijn.

IMO regelgeving wordt in Belgïe opgevolgd door de FOD Mobiliteit en de Vlaamse overheid, Scheepvaartsbegeleiding. 

De BMM zetelt ook als vertegenwoordiger voor België binnen de technische groep van het Akkoord van Bonn (OTSOPA). In dit kader heeft de BMM samen met vertegenwoordigers van enkele andere landen (waaronder UK en Nederland) de intentie om stappen te ondernemen om bepaalde elementen van de MARPOL Annex II wetgeving te laten herzien. De moeilijkheid zit voornamelijk in de definitie en/of classificatie van de MARPOL Annex II-producten. OTSOPA heeft hierbij besloten dat de Contracting Parties van het Akkoord van Bonn gezamenlijk actie dienen te ondernemen en hun bezorgheid samen uiten aan de IMO organisatie. 

6) Het toezien op naleven van de regelgeving voor het behandelen van afvalstoffen zoals giftig chemisch afval, is een geregionaliseerde aangelegenheid . De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) heeft daarom in het begin van dit jaar initiatieven genomen om gericht controle uit te oefenen op het mengen aan land van afval met brandstof die bestemd is voor het bunkeren van zeeschepen en op bunkerolie die ontscheept wordt, wat technisch soms nodig is voor de uitbating van het betrokken schip. OVAM heeft mij in maart 2013 gemeld dat er diverse vaststellingen zijn geweest bij brandstof die ontscheept werd en dat dit in één geval geleid heeft tot een proces-verbaal.

Een federale aangelegenheid zijn de internationale IMO regels die gelden voor zeeschepen voor de kwaliteit van de brandstof die aan boord mag worden genomen. De IMO Conventie Marpol Annex VI, regel 18, 3.1.1.3 bepaalt expliciet dat de brandstof geen chemisch afval mag bevatten. Verder wordt door dezelfde conventie opgelegd representatieve stalen te nemen van iedere levering en die te bewaren voor eventuele verdere controle door de bevoegde overheden.  Bij iedere levering wordt een ander staal op last van de scheepsexploitant onderzocht door een daartoe erkend onafhankelijk labo om zich te vergewissen van de kwaliteit van de geleverde brandstof.

Die analyses gebeuren volgens de ISO 8217 Fuel Standard die een aantal parameters bevat om ook de aanwezigheid van eventueel toegevoegde vreemde substanties te detecteren.

In het kader van het toezien op het naleven van de normen voor het zwavelgehalte in de scheepsbrandstoffen worden voor een aantal brandstofleveringen de resultaten van die analyses gestuurd naar het Directoraat -generaal Maritiem Vervoer bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Mobiliteit en Vervoer die ze dan onderzoekt. In de voorbije 12 maanden werden zo 180 analyserapporten nagekeken van brandstof die in Belgische havens werd geleverd aan zeeschepen. In geen enkele van die analyserapporten werden enige sporen gevonden van de aanwezigheid van brandstofvreemde toegevoegde substanties of chemisch afval.