4-68/1 (Sénat) | 4-68/1 (Sénat) |
12 JULI 2007
Inleiding
De XXXVIIe COSAC vond plaats op 14 en 15 mei 2007 te Berlijn.
Deze conferentie wordt twee keer per jaar georganiseerd door het parlement van het land dat het EU-voorzitterschap uitoefent. Ze wordt bijgewoond door de afvaardigingen van de in Europese aangelegenheden gespecialiseerde parlementaire commissies van de lidstaten van de Unie, alsmede door een delegatie van het Europees Parlement. De conferentie heeft voorts tot doel de informatieverstrekking en -uitwisseling tussen de parlementen van de Europese Unie te verbeteren teneinde de parlementaire controle op de Europese besluitvorming te versterken.
De afvaardiging van het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden was samengesteld uit de heren Herman De Croo (K), Philippe Mahoux (S) en Jacques Germeaux (K).
I. Aangelegenheden in verband met de COSAC
1. Verwelkoming door de voorzitters, de hh. Wissmann (Bundestag) en Stächele (Bundesrat)
In de eerste plaats worden niet enkel de delegaties van de nationale parlementen van de lidstaten van de Europese Unie (EU) als gasten verwelkomd, maar ook Noorwegen, Moldova en Oekraïne. Wel moet worden benadrukt dat dit geen automatisme inhoudt naar de toekomst toe. Enkel indien de agenda een punt bevat dat rechtstreeks betrekking heeft op deze landen, zal een uitnodiging kunnen worden verstuurd. Ook de voorzitter van CALRE wordt hartelijk verwelkomd.
De commissies voor Europese aangelegenheden spelen een grote rol in het betrekken van de nationale parlementen in Europese zaken. COSAC, als verzamelplaats van deze commissies, moet hierbij niet gezien worden als een tegenstrever van het Europees Parlement, maar eerder als een echte bondgenoot. Deze instellingen hebben immers een gemeenschappelijke opdracht : de democratische controle op besluitvorming, transparantie op alle niveaus en het waarborgen van de centrale plaats van de burger in de Europese constructie.
Op dit ogenblik is meer dan de helft van alle nationale wetten gebaseerd op Europese regelgeving. Dit moet door de nationale parlementen en het Europees Parlement op een kritische manier worden opgevolgd. Samenwerking is hierbij cruciaal.
Europa bevindt zich op dit ogenblik in een institutionele crisis. Toch is het ondenkbaar dat er een nieuwe uitbreiding zou komen zonder een uitdieping van de Europese constructie. De institutionele discussie mag echter geen jaren meer duren. Binnenkort moet dit geregeld zijn, zodat men snel terug kan gaan naar het inhoudelijke debat.
2. Werking van COSAC — halfjaarlijks verslag, permanent secretariaat, enz.
Het 7e halfjaarlijks verslag had betrekking op vier bijzonder actuele themas's : de controle op subsidiariteit en proportionaliteit, de samenwerking van de nationale parlementen met de Europese Commissie, de toekomst van de Europese Unie en de klimaatverandering. Het 7e halfjaarlijks verslag wordt unaniem goedgekeurd.
Een overgrote meerderheid van de nationale parlementen is bereid vanaf 2009 bij te dragen in de kosten van het permanent lid van het COSAC — secretariaat, zoals voorgesteld in Helsinki tijdens de vergadering van COSAC in 2006. Ook beide Belgische federale kamers hebben bevestigd dit te zullen doen.
Deze financiering vereist echter ook een wijziging van het reglement van COSAC. De voorgestelde wijzigingen worden unaniem toegejuicht, en zullen door het Portugees voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2007 worden omgezet in concrete teksten om goed te keuren tijdens de COSAC — vergadering in Estoril in oktober 2007.
Verscheidene nationale parlementen zien in de massale steun voor het permanent lid van het secretariaat het bewijs dat COSAC wel degelijk van groot belang is voor Europa en voor de lidstaten.
Een vertegenwoordiger van de Bundestag stelt vast dat er al vele jaren in de schoot van COSAC wordt gedebatteerd over een secretariaat. Thans liggen er concrete maatregelen en regels op tafel. Hopelijk zullen deze snel worden aangenomen, zodat terug kan worden gefocust op de inhoud van Europese politiek en Europese integratie.
II. Tests inzake subsidiariteit en proportionaliteit, georganiseerd in de schoot van COSAC
1. Gedachtewisseling
Alle nationale parlementen zijn overtuigd van het nut van tests betreffende de controle van de subsidiariteit- en proportionaliteitsprincipes georganiseerd door COSAC. Er worden echter een aantal vragen gesteld over de periode van zes weken binnen dewelke deze test moet worden uitgevoerd.
Een meerderheid van de nationale parlementen wil voortdoen met de organisatie van twee van dergelijke tests per jaar. De selectie van de onderwerpen van deze tests moet in principe gebeuren op basis van het wetgevend programma van de Europese Commissie. Voorgesteld wordt dat elk nationaal parlement op basis van dit programma een aantal suggesties doet aan het COSAC — voorzitterschap dat de twee meest gevraagde onderwerpen zal weerhouden.
De heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, stelt vast dat er een hele weg is afgelegd tussen de beslissing die in 2003 is genomen in Athene tot oprichting van het COSAC — secretariaat, en de toestand vandaag. Niettemin had hij een aantal vragen. Er is nood aan een studie over de manier waarop in elk parlement de administratie is georganiseerd rond de Europese aangelegenheden. Verder ware het interessant te weten hoe in de Europese federale landen de relatie tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten is op het vlak van Europese zaken. Ten slotte is er het probleem van de talen in het kader van IPEX. Hoe kan ervoor worden gezorgd dat de informatie die een nationaal parlement enkel in de eigen landstaal in de IPEX — databank opneemt, toch toegankelijk kan zijn voor een nationaal parlement dat die taal niet machtig is.
Een nieuw feit in het Europees interparlementair bestel is de nieuwe en intensief wordende dialoog tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen. Hier kan een coördinatie door het voorzitterschap van COSAC nuttig zijn.
Ten slotte is COSAC het meest geschikt als interface tussen de nationale parlementen. Niemand wil een nieuwe supranationale instelling die de concurrentie aangaat met de bestaande instellingen. De verdienste van COSAC is echter wel dat de nationale parlementen niet langer schroom hebben om hun standpunten te delen met de andere assemblees.
Vertegenwoordigers van het Italiaans parlement en de Britse « House of Commons » steunen de suggestie om te onderzoeken hoe federale staten met Europese zaken omgaan.
De meeste nationale parlementen steunen het voorstel om IPEX nog meer te gebruiken als communicatiemiddel inzake interparlementaire samenwerking, en wensen de toegankelijkheid van deze databank te verhogen.
Vertegenwoordigers van de nationale parlementen van Cyprus, Litouwen en van het Europees Parlement benadrukken het belang van de rechtstreekse overzending van documenten door de Europese Commissie. Dit is cruciaal voor de mobilisering van politiek en publieke opinie rond Europese thema's.
Vertegenwoordigers van de nationale parlementen van Nederland, Slovenië, Tsjechië, Litouwen en Portugal zijn van oordeel dat de tests door COSAC georganiseerd verder geïntensifieerd moeten worden. Waarom niet gaan naar de organisatie van 5 tests ? Een alternatief kan zijn dat COSAC vijf voorstellen selecteert die in aanmerking zouden kunnen komen voor controle, en dat elk nationaal parlement voor zichzelf beslist of en hoeveel van deze voorstellen zullen worden behandeld.
Vertegenwoordigers van de nationale parlementen van Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn van oordeel dat de periode van zes weken binnen dewelke een subsidiariteits- en proportionaliteitscontrole moet worden uitgevoerd, meer flexibel moet worden geïnterpreteerd. Het relevante protocol bij het ontwerp van Europese grondwet gaat uit van een periode van zes weken vanaf het moment dat alle taalversies in de Europese Unie beschikbaar zijn. Alternatief wordt voorgesteld om de termijn te laten ingaan op het ogenblik dat alle talen van de betrokken lidstaat beschikbaar zijn. Jammer genoeg zijn sommige taalversies soms pas na 2 a 3 maanden beschikbaar. Er moet dus druk worden uitgeoefend op de Europese Commissie om deze vertaling sneller te laten verlopen.
Vertegenwoordigers van de Britse « House of Commons » en van het Europees Parlement menen dat men moet gaan naar een systematische controle van alle voorstellen die opgenomen zijn in het wetgevend programma van de Europese Commissie. Enkel zo is een efficiënte controle op de Europese besluitvorming mogelijk. Vertegenwoordigers van de « Britse House of Lords » en het Italiaans parlement menen dat de jaarlijks beleidsstrategie van de Europese Commissie de perfecte leidraad kan zijn om deze controle voor te bereiden.
Vertegenwoordigers van de nationale parlementen van het Verenigd Koninkrijk, Litouwen, Denemarken en van het Europees Parlement menen dat een speciale vergadering rond de interpretatie van de principes van subsidiariteit en proportionaliteit meer dan nuttig is. Deze principes worden in de lidstaten vaak op een verschillende manier geïnterpreteerd. Een gezamenlijke conferentie rond dit thema kan helpen om een eenvormige interpretatie mogelijk te maken.
Een vertegenwoordiger van het Nederlands parlement benadrukt dat er ook preventief gewerkt moet worden. Overleg met de nationale regering is van groot belang om de Europese besluitvorming te beïnvloeden. Dit zou in alle lidstaten van de Europese Unie een automatisme moeten zijn.
Een vertegenwoordiger van het Franse parlement wil in de context van de richtlijn inzake postdiensten, die voorwerp was van de tweede test georganiseerd in de schoot van COSAC, wijzen op het volgende. De universele dienstverlening wordt in deze richtlijn gegarandeerd. Er is echter niets terug te vinden in deze richtlijn over de manier waarop deze dienstverlening gefinancierd mag worden. Aan de Europese Commissie werden concrete vragen hierover gesteld, maar afdoende antwoorden werden niet gegeven. Men moet dus waakzaam blijven.
Een vertegenwoordiger van het parlement van Litouwen benadrukt de positieve invloed die de parlementaire controle van de Europese wetgevende voorstellen kan hebben op het vertrouwen van de burger in Europa en de interesse van burger en media in Europese regelgeving.
Een vertegenwoordiger van het Europees Parlement roept op om zich niet enkel te concentreren op de teksten van de Europese Commissie, maar ook op de standpunten die de Raad en het Europees Parlement innemen.
2. Conclusies
Het voorzitterschap van COSAC is van oordeel dat alle vragen aangaande informatie over de administratie in de nationale parlementen en over de manier waarop federale staten met de controle van Europese dossiers omgaan, door het secretariaat van COSAC kan worden behandeld en beantwoord.
De vraag betreffende de verhoging van het aantal tests van 2 naar 5, zal in de conclusies van deze COSAC — vergadering worden behandeld.
III. Klimaatverandering en bescherming van het milieu — de rol van de Europese Unie
1. Uiteenzetting door de h. Sigmar Gabriel, Duits minister voor leefmilieu, bescherming van de natuur en nucleaire veiligheid
Klimaatverandering is een complexe materie. Enerzijds is er de bedreiging van het leefmilieu, daarnaast zijn er de dreigende tekorten aan grondstoffen en de nefaste gevolgen voor de wereldeconomie, en ten slotte heeft de ontginning van brandstoffen haar maximum bereikt. De Europese Unie kan terzake een echte voortrekkersrol spelen.
Enkele cijfergegevens kunnen de ernst van de zaak illustreren :
— in 1900 werd 100 miljoen ton CO2 uitgestoten. In 2005 was dit meer dan 24 miljard ton (49 miljard ton voor alle broeikasgassen samen);
— in de afgelopen 650 000 jaar heeft men nooit meegemaakt dat twee warmteperiodes op elkaar volgden zonder een periode van afkoeling. Daarenboven heeft men nooit eerder een dergelijke temperatuurstijging gekend;
— indien men het idee aanhoudt om een temperatuurstijging van maximum 2 ºC ten opzichte van 1990 toe te staan, moet men rekening houden met het feit dat de oogst in Afrika zal dalen met 50 %, dat in Azië 650 miljoen mensen zullen geconfronteerd worden met overstromingen en dat Zuid — Europa zal lijden onder lange periodes van droogte en watertekort. Daarbij komen nog de gezondheidsproblemen en de vernietiging van de biodiversiteit.
De verandering van het klimaat kan niet van de ene dag op de andere worden stopgezet. Zelfs als men vandaag alle industriële activiteit stop zet, zal het nog 50 jaar duren vooraleer de toestand opnieuw verbetert. Er dient dus zeer veel te gebeuren op een (te) korte tijd.
Niettemin zijn de alternatieven nog minder interessant. Indien men 1 % van het BBP op jaarbasis investeert, kan men klimaatverandering een halt toeroepen.
Doet men dit niet, zal men binnen afzienbare tijd 15 tot 20 % van het BBP moeten spenderen aan de gevolgen ervan. De strijd tegen klimaatverandering moet op drie fronten gebeuren :
— een verhoging van de energie — efficiëntie door middel van isolatie van gebouwen, rationeel energiegebruik enz.;
— een toename van hernieuwbare energie, zeker in de transportsector en de energieproduktie;
— een coherent en geïntegreerd landbouw- en bosbeleid.
Zoals reeds eerder gezegd, kan Europa een voortrekkersrol spelen. Vele lidstaten staan aan de top inzake de technologische middelen om klimaatverandering aan te pakken, er is een drive om ecologie te integreren in de dagelijkse politiek en naast economie is ook ecologie een factor van belang geworden in het dagelijkse leven.
Een eerste grote stap vooruit is gezet tijdens de Lentetop van 2007 toen de Europese Raad een aantal verreikende maatregelen heeft aangekondigd. Ook Duitsland heeft gelijkaardige stappen gezet, vooral op het domein van de energie — efficiëntie en de hernieuwbare energie.
Een hekel thema dat thans moet worden aangesneden in de Europese Unie betreft de zogenaamde « burden sharing ». Ook wordt er meer en meer opgeroepen tot het nemen van Europese initiatieven zoals een richtlijn ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie, enz. Er is dus nog een lange weg te gaan.
2. Gedachtewisseling
De heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, merkt op dat Europa zichzelf verbonden heeft aan bepaalde resultaten tegen 2020. Om deze resultaten echter te bereiken, moet beroep worden gedaan op de lidstaten en vaak ook op deelstaten van deze lidstaten. Het probleem ligt dan ook meer en meer in de uitvoering van de voorgestelde maatregelen, waar verschillende niveaus en organen een bevoegdheid in hebben. Ook dit is een toepassing van het principe van de subsidiariteit.
De vertegenwoordiger van het Italiaanse parlement is bijzonder tevreden over de resultaten van de Lentetop. Ook de nationale regering heeft maatregelen genomen. Eigenlijk komt het hele debat neer op de noodzaak om een mentaliteitswijziging teweeg te brengen bij de bevolking. Indien men zich engageert om tegen 2020 een daling van de uitstoot te realiseren van 20 %, moet iedereen in de Europese Unie zich hiervoor engageren. Daarenboven moet ook de internationale gemeenschap worden gemobiliseerd. De Europese Unie heeft hier een leidersrol te vervullen.
Volgens de vertegenwoordiger van het nationaal parlement van Cyprus moet de nadruk van het energiebeleid liggen op duurzame groei, ook voor de landen buiten de Europese Unie.
De vertegenwoordiger van de Duitse Bundestag is teleurgesteld in de laatste Euro-Amerikaanse top die enkel over luchtvaart bleek te gaan. Dit dient snel te veranderen, ook in moeilijke sectoren als transport, het gebruik van kool als brandstof, enz.
De vertegenwoordiger van het nationale parlement van Litouwen stelt dat nucleaire energie zijn voordelen heeft. Het is een onafhankelijke energiebron en is klimaatvriendelijk. Toch weigert de Europese Unie elk debat over het gebruik van kernenergie. Nochtans zijn de gevolgen indien men niet overschakelt op nucleaire energie desastreus : 1 miljard mensen zouden dakloos zijn tegen 2050. De vertegenwoordiger van het Oostenrijks parlement is ferm inzake nucleaire energie : het is niet veilig en niet hernieuwbaar. Men moet dan ook zeer streng het gebruik ervan beoordelen.
De vertegenwoordiger van het nationale parlement van Polen uit zijn frustratie over de ongelijkheid van lidstaten van de Europese Unie in deze materie. Polen is volledig in orde met het Kyoto — protocol. Toch heeft men beslist dat de emissies met bijna 27 % moeten dalen. Dit legt een zware hypotheek op de Poolse economische ontwikkeling, hoewel al heel wat inspanningen zijn gebeurd om te voldoen aan Kyoto.
De vertegenwoordigers van het Nederlands en Spaans parlement benadrukken dat dit probleem te groot is om individueel te worden aangepakt. Enkel op het niveau van de Europese Unie kan men iets bereiken, en zelfs dan moet intensief overleg bestaan tussen de ontvangers van deze hulp en de verstrekkers ervan.
Verschillende vertegenwoordigers van de nationale parlementen trekken een parallel met de EGKS, en denken dat een gelijkaardige structuur ook van nut kan zijn in Europese aangelegenheden.
De Sloveense woordvoerder is van oordeel dat onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de watermassa. Hij ziet in eigen land een conflict tussen de energielobbies. Zo werd een windmolenplan beperkt door andere lobbies.
Met het oog op de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, stelt een vertegenwoordiger van het VK, gaan veel kansen verloren. Het gebruik van biobrandstoffen kan weliswaar bijdragen tot de reductie van de CO2 emissies, maar tegelijk wordt door de productie ervan ook veel milieuschade veroorzaakt.
Beter is dus andere bronnen aan te wenden. Kernenergie vormt ook niet langer het grote antwoord, maar toch levert ze nog een belangrijke bijdrage.
We kunnen onze energiebronnen toch niet in handen laten van Rusland.
Streven naar energieonafhankelijkheid is een regelmatig weerkomend objectief in de verschillende tussenkomsten.
De EP-woordvoerder stelt dat het 20 %-doel voor reductie in energiegebruik een nieuwe industriële revolutie vraagt (nieuwe technologieën zoals waterstoftechnologie).
De EU moet het voortouw nemen inzake klimaatbeleid. Hiertoe heeft zij evenwel geen gepaste instrumenten.
Maatregelen kunnen pas genomen worden via de omweg van de interne markt en de milieu-invalshoek.
De EU moet dus speciale bevoegdheden krijgen voor een klimaatbeleid.
Vele interveniënten zijn van oordeel dat het klimaat een beleidsprioriteit moet zijn van de EU. Verbetering van het spoorwegtransport (als alternatief voor het weg- en luchtvervoer); emissiehandel; nieuwe technologieën (aanwenden van duurzame energiebronnen) zijn frequent gesuggereerde maatregelen.
Het klimaatbeleid moet voorwerp zijn van een gemeenschappelijk EU optreden.
De Luxemburgse delegatie suggereert dat in de WTO-onderhandelingen eveneens maatregelen moeten geformuleerd worden die de reductie van broeikasgassen bevorderen.
Één enkel Italiaans lid merkt op dat onze levensstijl moet veranderen.
3. Conclusie
Er bestaat reeds lang een debat tussen de parlementen en de parlementaire controle over dergelijke onderwerpen. Hierbij moeten duidelijke ogenblikken van evaluatie worden ingesteld om deze controle op een goede manier uit te voeren.
De wetenschap is tot veel in staat. Zo kan men meer energie uit warmte halen dan uit nucleaire energie. Men moet enkel nog een manier vinden om dit op een zo efficiënt mogelijke manier te doen.
Wanneer men over de politiek inzake klimaatverandering spreekt, dient men steeds de twee belangrijkste principes in het achterhoofd te houden : er moet werk worden gemaakt van energie — efficiëntie, en men moet naar andere alternatieven kijken dan enkel het nucleaire.
Conclusie van het COSAC-voorzitterschap is dat ieder zijn verantwoordelijkheid heeft inzake de klimaatverandering en dat dit probleem een gemeenschappelijke uitdaging vormt voor de EU.
IV. Uiteenzetting door Mevr. Angela Merkel, Bondskanselier van de Duitse federale Bondsrepubliek en voorzitter van de Europese Raad, over de Toekomst van Europa (zie integrale tekst in Bijlage 1)
Mevrouw Merkel beklemtoont dat de Europese waarden die opgenomen zijn in de criteria van Kopenhagen, niet worden losgelaten. Daarom werden zij heropgenomen in de Verklaring van Berlijn.
Zij herinnert aan de droom van Adenauer die stelde dat de landen van Midden- en Oost-Europa ook ooit zouden delen in deze Europese waarden.
De 21e eeuw is gekenmerkt door de globalisering van de samenleving.
Europa moet de sociaal-economische verwachtingen inlossen. Het moet de belangen van de Europese burgers verdedigen want in de geglobaliseerde wereld vormt Europa nog slechts 7 % ten opzichte van de wereldbevolking.
Daarom moeten de krachten gebundeld worden.
Op de Lentetop stond klimaat- en energiebeleid centraal.
Het Europees energiebeleid is een uitdaging en zal tonen hoe solidair Europa is.
De reductie van de CO2-uitstoot speelt hierbij een specifieke rol. Europa moet de aarzelende VS overtuigen.
De ontwikkeling van milieutechnologie zal mede economische groei bewerkstelligen.
De administratieve vereenvoudiging moet kostenefficiënt gebeuren.
Europa moet het continent van ideeën worden.
De recente VS-EU-top betekende een belangrijke stap in de samenwerking door de niet-tarifaire handelsbelemmeringen aan te pakken (erkenning van onderlinge accountancy-normen).
In het kader van de discussie over de Europese Grondwet werd (na de negatieve referenda in Frankrijk en Nederland) een tweesporenstrategie gevolgd : eerst de projecten voor de burgers en daarnaast een reflectie over de toekomst van de Europese Unie.
Mevrouw Merkel onderstreept dat het Verdrag van Nice geen basis kan vormen voor de verdere uitbouw (uitbreiding) van de EU.
Daarom verheugt zij zich over de Verklaring van Berlijn. Tegen 2009 moeten de keuzen inzake de basisprincipes goedgekeurd zijn.
De Europese instellingen moeten efficiënt kunnen werken en alle bevoegdheden die nodig zijn om adequate oplossingen aan de gestelde problemen te bieden, moeten op Europees niveau getild worden (onder meer energie).
De rol van de nationale parlementen (i.h.b. de naleving van het subsidiariteitsprincipe) moet daarbij versterkt worden.
Ten slotte belicht mevrouw Merkel ook nog de migratieproblematiek. De EU moet hierin haar verantwoordelijkheid opnemen ten overstaan van de andere continenten.
Een nieuwe partnerschapsovereenkomst met Rusland dring zich eveneens op.
Mevrouw Merkel besluit dat Europa al deze uitdagingen aankan, maar enkel tezamen.
V. Evaluatie van het initiatief van de Europese Commissie betreffende de rechtstreekse overzending van documenten aan de nationale parlementen
De COSAC-Voorzitter verwijst naar het zevende tweejaarlijkse COSAC-verslag, in het bijzonder Hoofdstuk 2, betreffende de evaluatie van de samenwerking met de Europese Commissie (zie site : www.cosac.eu).
Sedert 1 september 2006 is de Europese Commissie gestart met de rechtstreekse overzending van documenten aan de nationale parlementen (het zogenaamde Barroso-initiatief).
Hiermee wordt een dialoog tot stand gebracht tussen de Europese Commissie en de nationale parlementen.
Volgens de voorzitter is het nog te vroeg om definitieve uitspraken te doen over de effectiviteit van de procedure.
De parlementen verwachten wel dat de Europese Commissie sneller zou reageren op de opmerkingen.
Er zijn vooralsnog geen voorbeelden waarbij de Commissie haar voorstel wijzigt op basis van de opmerkingen van de parlementen.
Tijdens de gedachtewisseling werd onder meer verwezen naar de overeenkomst tussen de Bundestag en de Duitse regering met het oog op informatieverstrekking in verband met Europese aangelegenheden (1) .
Ook wordt eraan herinnerd dat het Barroso-initiatief ruimer is dan het subsidiariteitsonderzoek senso stricto (Lord Grenfell, UK).
De heer Haenel (Franse Senaat) drukt zijn bezorgdheid uit of de Europese Commissie wel rekening zal houden met de opmerkingen van de nationale parlementen. Hierin wordt hij bijgetreden door meerdere vertegenwoordigers.
Hij wijst er tevens op dat subsidiariteit en proportionaliteit onlosmakelijk met mekaar verbonden zijn.
De Griekse woordvoerder stelt dat de commissievoorstellen beter moeten worden gemotiveerd. De reacties op de opmerkingen van de parlementen moeten gepubliceerd worden via IPEX zodat deze algemeen toegankelijk worden. Een belangrijke groep van COSAC-delegaties, onder meer Italië en Tsjechië, sluit zich hierbij aan.
Door het Barroso-initiatief worden nu ook andere vakcommissies in de follow-up van de Europese besluitvorming betrokken (en niet enkel de Eurotechnici) en dat moet als positief worden bestempeld, aldus de Zweedse vertegenwoordiger.
Een Italiaanse vertegenwoordiger is van oordeel dat de instrumenten nog moeten worden verfijnd.
De procedure moet versterkt en ingebed worden in het nieuwe EU-Verdrag.
Voor de Finse woordvoerder is de procedure geen novum. Reeds van bij de toetreding tot de EU (1995) past het parlement de subsidiariteitsprocedure toe. Spreker is dan ook niet zo positief over de directe dialoog met de Europese Commissie. Deze druist immers in tegen de constitutionele traditie.
De gesprekspartner van het parlement is de eigen regering. Zij moet verantwoording afleggen aan het parlement.
De heer De Croo, voorzitter van de Belgische COSAC-delegatie, is verheugd over de goede samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen.
Het zou nuttig zijn nog meer informatie uit te wisselen over de selectiecriteria (van EU-commissievoorstellen) en over de subsidiariteitsprocedure in de verschillende parlementen.
Het COSAC-secretariaat is hierbij de belangrijkste interface.
VI. De EU en haar Oosterburen — Rusland, Oost-Europa en Centraal-Azïe
1. Uiteenzetting door dhr. Günter Gloser, Staatsecretaris voor Europese zaken van de Bondsrepubliek Duitsland
Voor het ogenblik is er in Europa vooral aandacht voor de toekomst van het Grondwettelijk Verdrag. Ook het Duits voorzitterschap is druk bezig met het opstellen van een tijdsplanning voor de nieuwe besprekingen rond deze tekst. Maar het Duits voorzitterschap legt ook andere accenten. Zo komt ook het nabuurschapsbeleid aan bod. In het kader van de betrekkingen met Oost-Europa moet er worden verder gewerkt aan de intensivering van het nabuurschapsbeleid, aan de verdieping van de strategische partnerschappen met Rusland en aan de relatie met Centraal Azië.
Om de stabiliteit in Oost-Europa te versterken moet er een evenwicht zijn tussen het nabuurschapbeleid naar het Oosten en het Zuiden toe. Al de buren van de Unie moeten dichterbij worden gebracht, dit kan onder andere door een betere toegang tot de interne markt. Een voorbeeld hiervan is Oekraïne. Door een verregaande economische en politieke integratie kan dit land evolueren naar een kandidaat lidstaat. Het nieuw akkoord dat met Oekraïne zal worden afgesloten, moet een verdiept economisch akkoord zijn. De onderhandelingen zullen starten zodra Oekraïne lid is van de Wereld Handelsorganisatie.
Ook andere thema's moeten aan bod komen in de relaties met deze landen. Energie, milieu en transport moeten eveneens centraal staan. Toch mogen menselijke onderwerpen en binnenlandse veiligheid niet vergeten worden. Migratie is een steeds groeiende uitdaging voor de Unie en haar buurlanden. De Unie moet haar engagementen naar de Zwarte Zeegebieden verder uitbouwen. Ze moet deze gebieden helpen om zich te moderniseren en te stabiliseren.
Naast de economische resultaten zijn ook de politieke resultaten belangrijk. Tijdens de Europese Raad van juni zal hier verder op worden ingegaan.
Het strategisch partnerschap met Rusland moet gebaseerd zijn op wederzijdse afhankelijkheid. Rusland hangt voor 80 % van de Unie af voor het afnemen van energie. De Unie hangt dan weer grotendeels af van Rusland voor de levering van deze energie. Ook in internationale conflicten is samenwerking noodzakelijk. Tijdens de top van Samara op 18 mei moeten deze punten zeker versterkt worden. Maar er blijven ook open vragen zoals het embargo op Poolse producten. Er is momenteel een samenwerking van het voorzitterschap met de Commissie om hier een oplossing voor te vinden. Bij het energiepartnerschap zal het vooral belangrijk zijn om irritaties te voorkomen, zodat zij niet tot problemen leiden.
Indien er een samenwerking met Rusland over de broeikasgassen zou kunnen bereikt worden, zou dit eveneens een groot succes zijn. Het partnerschap mag niet enkel economische akkoorden bevatten. Een verdiepte samenwerking over onderzoek en cultuur zou zeker zeer waardevol zijn. Er moet worden getracht om uit die spiraal van wantrouwen te stappen. Dit is de enige manier om duurzame veiligheid voor Europa te garanderen.
Maar in Samara moeten ook de problemen aan bod komen zoals Moldavië en de Zuidelijke Caucasus, de persvrijheid, demonstratierecht, ...
Rusland moet eveneens de relatie met haar buren herbekijken. Deze relatie moet evolueren van druk naar dialoog.
Europa en Rusland hebben elkaar nodig. Geen enkel van de twee partijen heeft een volwaardig alternatief voor een partnerschap.
Het voorzitterschap heeft eveneens bijzondere interesse getoond voor Centraal Azië. Anderen zijn in deze regio al actief, maar de Unie heeft deze gebieden tot nu toe een beetje verwaarloosd. Het is belangrijk dat de soevereiniteit van deze staten versterkt wordt. Er is een goed veiligheidsbeleid nodig om de stabiliteit van deze regio te versterken. De Unie moet een dialoog hebben met al deze staten. Op de Trojka-meeting van 28 maart is gebleken dat de interesse voor deze staten belangrijker wordt. Er wordt meer en meer rekening gehouden met hen. Tijdens de Europese Raad van juni zal de Centraal Azië-strategie besproken worden.
Natuurlijk is de bijzondere aandacht voor de zuidelijke dimensie nog steeds zeer belangrijk. Deze zal tijdens het Portugees voorzitterschap zeker aan bod komen.
2. Gedachtewisseling
De Oekraïense delegatie die op deze COSAC-meeting werd uitgenodigd wijst op de wederzijdse belangstelling. Oekraïne toont eveneens veel belangstelling voor de Unie. Door de deelname aan deze vergaderingen ontstaan nieuwe inzichten in de EU en Oekraïne wil een duidelijke verbintenis aangaan met de EU. Oekraïne volgt van dichtbij de manier waarop de Unie conflicten aanpakt. Oekraïne heeft een duidelijke keuze gemaakt voor Europa en wenst haar bijdrage te leveren waar mogelijk.
Er werd eveneens een Moldavische delegatie uitgenodigd op deze COSAC-bijeenkomst. Deze delegatie maakt duidelijk dat de toetreding tot de EU een strategische doelstelling is voor het land. De eerste stappen zijn een actieplan EU-Moldavië en een partnerschaps- en samenwerkingsakkoord. Er is een nieuw rechtskader nodig voor de betrekkingen tussen de EU en Moldavië sinds ze buurlanden zijn. Het uiteindelijke streven is de Europese integratie. Het is noodzakelijk om een gedifferentieerde aanpak te voorzien in het nabuurschapsbeleid.
Een aantal delegaties (House of lords, Europees Parlement, Polen) stellen dat het nabuurschapsbeleid verbeterd en versterkt moet worden. Zo is er nood aan differentiatie, sterkere voorwaarden, ... zodat echte stimulansen worden gecreëerd.
Het Europees Parlement wijst op een resolutie die gestemd werd over de komende EU-top inzake Rusland. De economische dimensie staat niet los van andere aspecten.
De Poolse delegatie merkt op dat het belang van de oostelijke dimensie in het buitenlands beleid nog moet toenemen. Er zijn goede samenwerkingen van start gegaan, maar er moet een beter evenwicht zijn tussen het oostelijke en het zuidelijke nabuurschapsbeleid. Het nabuurschapsbeleid is geen volwaardig lidmaatschap, dat moet duidelijk zijn.
De ad hoc behandeling van het partnerschap met Rusland heeft tot mislukkingen geleid. Rusland en de EU hebben geen gemeenschappelijke waarden. Daarnaast worden de spanningen tussen sommige lidstaten en Rusland alleen maar scherper. Ondanks de solidariteit in de EU is het probleem van de Poolse export nog steeds niet opgelost.
De Estse delegatie vindt dat de relatie met de oostelijke buurlanden vooral belangrijk is met het oog op de veiligheid en de toekomst.
Een strategisch partnerschap met Rusland nastreven kan enkel op lange termijn als de waarden de twee partijen niet uit elkaar drijven.
De Oostenrijkse delegatie wijst op het belang om samen met Rusland een akkoord te vinden voor de toekomst van Kosovo. Ook Servië heeft duidelijke signalen nodig naar de toekomst toe.
De delegatie van de Italiaanse Senaat ziet de Unie als een belangrijke speler bij het oplossen van conflicten. Het nabuurschapsbeleid kan daarin een rol spelen. Het uitbreiden van het nabuurschapsbeleid naar de oostelijke buren is noodzakelijk, zij moeten eveneens de kans krijgen om tot de Unie toe te treden. De bestaande akkoorden in het Middellandse Zee-gebied spelen een belangrijke rol op het vlak van migratiestromen en economische uitwisselingen.
De Litouwse delegatie ziet stabiliteit in de oostelijke regio's als een streefdoel. Ze betreurt echter dat Rusland zowel deze gebieden als de Unie destabiliseert. De Unie moet haar waarden beter verdedigen en geen tegenstrijdige signalen sturen naar landen zoals Georgië.
De Nederlandse delegatie vraagt om geduld uit te oefenen ten opzichte van Rusland. Het is een gecompliceerd land en de Unie moet Rusland zien als een partner en haar steunen bij het integreren van de Europese waarden. Het is teleurstellend dat de Unie geen gebruik maakt van de Raad van Europa, waar Rusland wel lid van is, om de relaties te versterken. Energie mag niet het enige onderwerp zijn. De nucleaire wapenschilden lijken eerder een nieuwe confrontatie te vormen dan een akkoord.
De delegatie van de Duitse Bundestag wenst duidelijk te definiëren dat het nabuurschapsbeleid geen wachtkamer is voor toetreding. De Unie is wel geïnteresseerd in een strategisch partnerschap dat zal leiden naar stabiliteit. Stabiliteit leidt op haar beurt naar investering, wat leidt naar welvaart en democratie.
Polen kan rekenen op de solidariteit van de lidstaten wat haar exportproblemen betreft, want Rusland mag geen wig drijven tussen de landen van de Unie. Er wordt dan wel samenwerking verwacht voor andere dossiers zoals bijvoorbeeld het Grondwettelijk Verdrag.
Roemenië is het eens met de spreker dat er een partnerschap met Rusland moet komen dat gebaseerd is op wederzijds respect. Het lijkt het gepaste moment om een dialoog met Rusland op te zetten.
De Oostenrijkse delegatie wijst op het feit dat in de relatie met Rusland de gemeenschappelijke belangen groter zijn dan de verdeeldheid. Naast de economische onderhandelingen is het eveneens belangrijk om Rusland te wijzen op het belang van democratisering en mensenrechten. Deze onderwerpen zijn in het verleden ondergeschikt gemaakt aan de economische belangen. Er moet nu meer druk op de ketel worden gezet voor deze problemen.
De Griekse delegatie vindt eveneens dat de stabiliteit van de buurlanden van essentieel belang is. Een strategische samenwerking met Rusland is eveneens belangrijk. Maar de Unie heeft belangrijke waarden en ze moet er naar streven dat deze gerespecteerd worden in alle buurlanden, zowel de oostelijke als de zuidelijke. Veiligheid op wereldvlak, bescherming van grondstoffen, enz. kunnen enkel worden waargemaakt door het verdedigen van de Europese waarden.
De Spaanse delegatie wenst het belang van de zuidelijke dimensie nog eens te onderstrepen. Deze landen mogen geen verkeerd signaal krijgen.
De Franse Senaat heeft onlangs een rapport goedgekeurd over de relaties van de EU met Rusland. Daarin stond dat er geen alternatief is voor een samenwerking tussen de twee partijen, maar dat een nieuw akkoord de banden zou moeten versterken. De relaties met de civiele maatschappij moeten zeker versterkt worden. Zo zou het aantal studiebeurzen voor Russische studenten sterk moeten stijgen.
3. Antwoord van dhr. Günter Gloser, Staatsecretaris voor Europese Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland
Het is niet omdat dit voorzitterschap speciale aandacht besteedt aan de oostelijke dimensie dat de zuidelijke dimensie vergeten wordt. Het is evident dat deze van zeer groot belang is en dat het werk in deze gebieden moet worden verdergezet.
Het nabuurschapsbeleid kan niet op maat gesneden zijn. Elk land moet op eigen niveau plannen kunnen maken voor de relaties met de EU. Regionale samenwerkingen zijn eveneens belangrijk en mogen niet vergeten worden.
Wat Rusland betreft is het beter om geen negatieve houding aan te nemen. Het is noodzakelijk om samen over de problemen te praten. In die gesprekken mag inderdaad niet enkel de economie aan bod komen. Maar is druk uitoefenen wel de juiste manier om de problemen aan te pakken ? Het is wel nodig om klare taal te spreken en om eerlijk te zijn met elkaar. Op het vlak van energie en klimaat is er een wederzijdse afhankelijkheid. Rusland en de EU hebben elkaar nodig. Wat het raketafweersysteem betreft lijkt de NAVO de meest geschikte plaats om een dialoog aan te gaan. Er moet met Rusland een vertrouwensopbouwende relatie gecreëerd worden. Dit moet gebeuren door samen te praten en te onderhandelen.
Inzake toetreding zal de EU onderhandelingen voeren met de westelijke Balkan. Het is voor landen zoals Servië zeer belangrijk om een toekomstperspectief te hebben. Dit geldt eveneens voor het nabuurschapsbeleid dat zeer belangrijk is voor de stabiliteit van de gebieden.
VII. De jaarlijkse beleidsstrategie van de Europese Commissie voor 2008
1. Uiteenzetting door mevrouw Margot Wallström, vice-voorzitter van de Europese Commissie en commissaris voor de institutionele relaties en de communicatiestrategie
In de jaarlijkse beleidsstrategie legt de Europese Commissie haar beleid en de belangrijkste initiatieven vast voor het volgende jaar.
2008 wordt een belangrijk jaar voor de opbouw van Europa. Een duidelijke institutionele regeling wordt verwacht die de Unie democratischer en efficiënter moet maken. In 2008 verwachten we dat een aantal lidstaten de Schengen-ruimte zullen vervoegen en dat een extra lidstaat in de eurozone zal stappen. Dit zijn elementen die Europa versterken.
Volgend op de « Single Market Review » en de « Social Reality Check » zal de Commissie een aantal initiatieven lanceren. Het is belangrijk dat de interne markt haar economische beloften blijft waar maken en dat de burgers er de vruchten van kunnen plukken.
In 2008 zal de basis worden gelegd voor de financiering tot 2013 van de Europese Commissie.
De strategische doeleinden die de Commissie stelde bij het begin van haar mandaat blijven behouden. Welvaart, solidariteit, veiligheid en vrijheid samen met een sterk en open Europa staan nog steeds centraal, want dit zijn de thema's die de burger belangrijk vindt.
Drie bijkomende belangrijke doeleinden zijn vastgelegd voor 2008. Zo is er ten eerste, klimaat en energie. Dit houdt in : de uitvoering van het pakket dat werd goedgekeurd door de Raad en de Commissie, een Europese gas- en elektriciteitsmarkt, promotie van efficiënte en duurzame energie en het versterken van de concurrentie in de interne markt voor deze sector. Ten tweede is er de hernieuwde Lissabon-strategie. Dit blijft het basiselement om een welvarender, milieuvriendelijker en socialer Europa te promoten. Ten derde wordt migratie in haar verschillende aspecten een echte uitdaging voor de Unie. Professionele migratie, indien correct beheerd, kan een positieve invloed hebben op onze economie. Er zal een voorstel worden gedaan voor een Europees gemeenschappelijk asielbeleid tegen 2010. Zo kan mensenhandel worden aangepakt en kunnen de externe grenzen beter worden beschermd.
De strategische doeleinden van welvaart, solidariteit, veiligheid en vrijheid zullen tot een aantal initiatieven leiden.
Op het vlak van welvaart zal de Commissie de nodige voorbereidingen treffen voor het Europees Instituut voor Technologie. Dit zou tegen 2009 operationeel moeten zijn. Wat transport betreft is er de ambitie om een Actieplan voor Publiek Transport voor te stellen dat deze sector milieuvriendelijker moet maken. Op het vlak van maritiem transport zullen gelijkaardige initiatieven genomen worden.
In de context van de interne markt zal er gewerkt worden aan een voorstel dat het voor bedrijven mogelijk zal maken om een geconsolideerde belastingsgrondslag (CCCTB) te gebruiken voor hun Europese activiteiten. Een aantal initiatieven zullen vloeien uit de follow-up van de nieuwe octrooistrategie en er zal ook nog gewerkt worden aan de consumentenbescherming.
Wat solidariteit betreft komt er een « health check » van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Ook initiatieven inzake discriminatie buiten de arbeidsmarkt en flexicurity staan op het programma.
Het is de bedoeling om een EU Actieplan tegen drugs voor te stellen voor de periode 2009-2012. Een aantal initiatieven zullen ook de nadruk leggen op kinderen; bescherming bij het gebruik van internet en kinderarmoede.
In samenwerking met de lidstaten zal meertaligheid gestimuleerd worden, als belangrijk instrument voor de arbeidsmarkt.
Om veiligheid en vrijheid te bevorderen zullen nieuwe maatregelen worden voorgesteld inzake de externe grenzen. Een Europees bewakingssysteem moet het voor de lidstaten makkelijker maken om de groeiende migratie te beheersen. Om de strijd tegen georganiseerde misdaad en terrorisme te steunen, verwachten we dat een centrale vingerafdruk-database snel operationeel zal zijn en de Commissie zal, in samenwerking met de lidstaten, een beleid uitstippelen inzake de sterke ideologische radicalisering.
Gezondheid en gezondheidsdiensten zijn belangrijk voor de meeste burgers. De EU zal in 2008 een rechtskader voorstellen voor farmaceutische producten. Dit moet ervoor zorgen dat de medicijnen veilig zijn en dat de informatie naar de patiënten toe correct en volledig is. Ook patiëntenveiligheid en de kwaliteit van de gezondheidszorg zullen aan bod komen.
Voor de informatiemaatschappij komen er initiatieven om kritische communicatie en informatie-infrastructuur te beschermen. Daarnaast wordt ook privacy in de informatiemaatschappij gepromoot.
De Commissie zal blijven strijden voor een Europa met een sterke stem in de wereld. Daarom is interne en externe coherentie van het beleid zeer belangrijk op alle vlakken. De Commissie blijft eveneens onderhandelen over de toetreding van Kroatië en Turkije en is bereid om een sterke rol te spelen in het vinden van een oplossing voor Kosovo. De Commissie blijft eveneens akkoorden onderhandelen met Oekraïne en Rusland en tracht om de banden te versterken met verre partners zoals de Verenigde Staten, China, India, de ASEAN-landen en Latijns Amerika.
Wat het handelsbeleid betreft, blijft de Commissie werken aan de « Doha Round ». De Commissie blijft, in samenwerking met de lidstaten, ook werken aan de ontwikkelingsakkoorden om er voor te zorgen dat onze relaties met de Afrikaanse landen op hun best blijven.
Als vervolg op de beleidstrategie van 2007 staan communicatiedoeleinden eveneens centraal in de beleidstrategie van 2008. De nadruk wordt gelegd op het duidelijk communiceren van een beperkt aantal boodschappen die de burgers echt interesseren.
2. Gedachtewisseling
De Sloveense delegatie wijst op het belang van een goede samenwerking met de Europese Commissie. Het is zeer belangrijk om vroeg genoeg op de hoogte te zijn van de strategie van de Commissie, want dit is een inspiratiebron voor het werkprogramma van Slovenië zelf.
De Portugese delegatie vindt dat concrete doelstellingen het belangrijkst zijn. De vraag wordt gesteld of een sociale analyse wel noodzakelijk is, aangezien het sociaal model een volwaardige pijler is van de Unie. Op het vlak van de begroting is het eveneens belangrijk om strategische doelstellingen te formuleren, want dit verhoogt de geloofwaardigheid bij de Europese burger.
Cyprus is tevreden met de prioriteiten die in de strategie vastgelegd worden, deze zijn breed en ambitieus. De delegatie wenst er wel op te wijzen dat het om algemene terminologie gaat en weinig om concrete maatregelen. Is dit dan wel de werkelijke weerspiegeling van de ideeën van de burger ? De Europese Commissie moet in de toekomst meer rekening houden met de nationale parlementen en de COSAC is daar een goed forum voor.
De Poolse Senaat heeft de beleidstrategie 2008 van de Commissie behandeld. Een aantal prioriteiten die aan bod komen, zijn zeer belangrijk voor de Poolse delegatie. Zo is in het kader van de Lissabon-strategie aandacht besteed aan de administratieve vereenvoudiging en het verminderen van de bureaucratie. Wetenschappelijk onderzoek is eveneens van groot belang. Wat het Europees Instituut voor Technologie betreft, stelt Polen voor om dit ergens in Polen te vestigen. Maar ook de discriminatie op de arbeidsmarkt is van belang. Dit is in Polen een probleem, vooral voor de gehandicapten en de 50-plussers zijn er zeer hoge werkloosheidcijfers. De mogelijkheid om werk en gezin te combineren heeft in Polen ook nog veel aandacht nodig.
Daarnaast is het Poolse maritieme beleid eveneens belangrijk. Ook al lijkt de inhoud van de strategie op dat vlak in orde, toch zijn er nog veel vragen zonder antwoord in deze materie. De details moeten dringend verduidelijkt worden.
De Hongaarse delegatie staat eveneens achter de prioriteiten die aan bod komen in de strategie. Samen met de Bulgaarse delegatie stelt ze dat het voor Kroatië zeer belangrijk is om lid te kunnen worden van de Unie. Dit zou de stabiliteit in de Balkan versterken en positief zijn voor het eengemaakt Europa. Daarom is het nodig om snel de « roadmap » voor de grondwet vast te leggen zodat Kroatië op korte termijn kan toetreden.
De delegatie van de House of Commons ziet de voorstelling van de jaarlijkse strategie als een nieuwe impuls. Op die manier kan iedereen vroegtijdig betrokken worden bij het beleid. In het Verenigd Koninkrijk is hier zeker interesse voor.
De jaarlijkse strategie werd eveneens besproken in de gespecialiseerde commissie van de House of Lords. Er wordt eveneens gesteld dat de prioriteiten zeer ruim zijn. Het is wel nodig om de prioriteiten op vlak van wetgeving en de prioriteiten voor de administratieve vereenvoudiging beter op elkaar af te toetsen. De jaarlijkse beleidstrategie is echter veelbelovend voor de initiatieven van de Commissie volgend jaar.
De Sloveense delegatie is zeer positief over de strategie voor 2008. Ze stelt echter de vraag of de rol van de nationale parlementen in het oog van de Commissie beperkt is tot het becommentariëren van de doelstellingen.
De Zweedse delegatie stelt zich enkel de vraag hoe de Europese Commissie zal zorgen voor een zo transparant mogelijk proces.
De Slowaakse delegatie heeft vragen bij de geconsolideerde belastingsgrondslag. Waar staat het project nu en wat zijn de verwachtingen ?
Volgens de Griekse delegatie is de Unie verplicht om door te gaan met de consolidatie van haar instellingen. De Unie moet afstappen van eeuwige discussies, want anders is er geen toekomst en geen nut meer voor haar. Door na te denken en creatief te werk te gaan moet de Unie vastberaden verder werken aan de grondwet. Een Europees politiek forum is de enige manier om de gevolgen van de globalisering op te vangen. De Cypriotische delegatie is het daar mee eens en voegt toe dat een dialoog tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement noodzakelijk is om de hervormingen door te zetten.
De Italiaanse delegatie vraagt naar de band tussen de politieke strategie en de herziening van de financiële context. Want met de eventuele eigen middelen wordt het zeer moeilijk om al die ambities waar te maken. De Lissabon-strategie moet steeds als een prioriteit van de Unie worden beschouwd.
De Macedonische delegatie wijst op haar kandidaatstelling als lidstaat. In Macedonië wordt er hard gewerkt aan de hervormingen. Wanneer plant de Commissie de start van de onderhandelingen met Macedonië ?
De Roemeense delegatie staat positief tegenover de prioriteiten op het vlak van klimaat en energie, maar andere milieuproblemen mogen niet vergeten worden. Op het vlak van migratie heeft de toetreding van Roemenië tot de Unie een aantal Roemenen doen afzien van hun emigratieplannen. Dit kan zeker een belangrijk element zijn voor andere landen zoals vb. Moldavië.
De Zweedse delegatie juicht de prioriteiten op het vlak van flexicurity toe. Dit is vooral voor vrouwen belangrijk, want zij hebben behoefte aan flexibiliteit. Ze moeten zich goed kunnen voelen thuis en op het werk. Waar staat de Commissie wat dat betreft ?
3. Antwoord van mevrouw Margot Wallström, vice-voorzitter van de Europese Commissie en commissaris voor de institutionele relaties en de communicatiestrategie
De rol van de nationale parlementen is zeer belangrijk. Door de nationale parlementen te betrekken wordt er een openbare ruimte gecreëerd. De discussies leiden tot een beter beleid en vormen een link naar de burger.
De voorgestelde strategie is zeker geen perfecte strategie, maar ze stelt actie voor op vele fronten. De algemene doelstellingen liggen de burgers nauw aan het hart en zijn dan ook de basis van de hele strategie. Voor de eerste keer wordt er over deze beleidstrategie gecommuniceerd naar de burger. Dit is ook een leerproces voor de Commissie, door naar het grote plaatje te kijken evolueert de tekst naar een echte strategie.
De strategie staat niet in rechtstreeks verband met de begroting. Dit moet op langere termijn bekeken worden, want het wordt moeilijk om de middelen te vinden. Op dat vlak kan nog veel verbeterd worden.
De « Social Reality Check » leidt naar een brede aanpak. De cijfers en de statistieken zijn nodig om correct te werk te gaan. De Commissie luistert meer en meer naar de burger en probeert zich open te stellen voor iedereen.
VIII. Conclusies en Bijdrage van de XXXVIIde COSAC — Berlijn 13-15 mei 2007
Beide teksten werden in consensus (behoudens Frankrijk) aangenomen.
Zie bijlage 2
BIJLAGEN
Bijlage 1
Lieber Matthias Wissmann,
lieber Willi Stächele,
liebe Kolleginnen und Kollegen aus den nationalen Parlamenten und aus dem Europaparlament,
es ist heute eine ganz besondere Atmosphäre hier im Deutschen Bundestag, wenn Sie zu Gast sind und die Dolmetscherkabinen rundherum auf unseren Wandelgängen aufgebaut sind. Ich freue mich, dabei zu sein, wenn Sie hier von unseren deutschen Parlamentariern im Rahmen unserer Präsidentschaft zu einer interessanten Zeit eingeladen werden, nämlich der zweiten Hälfte unserer Ratspräsidentschaft. Wir befinden uns in einer Phase, in der wir für den Juni-Rat noch einige Erwartungen und Aufgaben haben, zu denen ich später etwas sage.
Wir waren als Bundesrepublik Deutschland sehr stolz darauf, im März die 50-Jahrfeier zu den Römischen Verträgen hier in Berlin abhalten zu können. Wenn man 50 Jahre zurückblickt, dann war uns damals nicht ins Geschichtsbuch geschrieben, dass Berlin wiedervereinigt sein wird, dass Berlin die Hauptstadt und der Regierungssitz einer Bundesrepublik Deutschland sein kann, die anerkannt ist und ihre Rechte und Pflichten im Herzen Europas erfüllt.
Die Europäische Union umfasst inzwischen 27 Mitgliedsstaaten und hat damit gezeigt, dass sich das Beharren auf Werten ausgezahlt hat, das seit der Gründung der Europäischen Union ja einer der wegweisenden Gedanken war. Man hat als eine der Gründungsideen der Europäischen Union immer den Frieden in Freiheit und nie den Frieden um des Friedens willen gehabt. Wir sind sehr froh, dass Werte wie Freiheit, Respekt, Verantwortung, Gerechtigkeit, Solidarität und vor allen Dingen auch Toleranz heute in Europa Werte sind, die unverzichtbar und unverrückbar sind und die ja auch in die Kopenhagener Kriterien Eingang gefunden haben, wenn es um Erweiterungsfragen geht.
Der Mittelpunkt unseres politischen Handelns ist der Mensch, dessen Würde unantastbar ist. Das haben wir auch in der « Berliner Erklärung« noch einmal zum Ausdruck gebracht. Deshalb müssen wir dies auch immer wieder als Richtschnur unseres Handels in der Europäischen Union deutlich machen.
Unter Ihnen befinden sich heute Delegierte aus 27 Mitgliedsstaaten, aber auch der Beitrittskandidaten. Wir können ja einmal träumen, was sich die Gründerväter der Europäischen Union damals gedacht haben, als sie zur Tat geschritten sind. Interessant sind die Äußerungen von Konrad Adenauer, als es um die Abstimmung über das Saarland und später um die Wiedereingliederung des Saarlands in die Bundesrepublik Deutschland ging. Das hat im Übrigen am 1. Januar dieses Jahres vor 50 Jahren stattgefunden. Damals hatte er schon darauf hingewiesen — und so haben viele gedacht —, dass auch die Länder Mittel- und Osteuropas und die Deutschen im anderen Teil Deutschlands in der sowjetischen Besatzungszone von diesen Segnungen Europas profitieren sollten.
Was immer sie gedacht haben, ich finde es jedenfalls gut, dass sich die Parlamentarier seit 1989 zweimal jährlich zusammenfinden, um gemeinsam über europapolitischeThemen zu diskutieren und damit auch die Bürgernähe Europas ein Stück weit zu symbolisieren. Denn wir haben alle die bittere Erfahrung gemacht : Sobald sich diese Europäische Union zu weit von den Menschen entfernt und sie keine Akzeptanz mehr hat, gibt es Abstimmungsergebnisse, die uns letztlich zurückwerfen. Deshalb ist angesichts der Tatsache, dass wir alle in Demokratien leben, das Werben um diese Europäische Union ganz wichtig.
Was sollte uns dabei mit den Bürgerinnen und Bürgern im Denken leiten ? Auf der einen Seite sollten wir daran denken, dass uns heute Frieden und Demokratie einen und dass Kriege, wie sie über Jahrhunderte in Deutschland und in Europa üblich waren, nicht mehr stattfinden. Aber das ist die Vergangenheitsbetrachtung. Sie ist wichtig; sie dürfen wir nicht aus den Augen verlieren. Aber wir alle wissen auch aus unseren demokratischen Wahlen : Die Menschen fragen nach der Zukunft. Warum ist dieses Europa für mich unverzichtbar ?
Für mich ist im 21. Jahrhundert die Tatsache eines globalen Zusammenwachsens eine der ganz wesentlichen Begründungen dafür, dass Europa an vielen Stellen seine Kräfte bündeln muss, um bestimmte Programme und Aufgaben überhaupt erledigen zu können, um die gemeinsamen Vorstellungen von sozialer Marktwirtschaft — wie wir es in Deutschland nennen würden —, also vom europäischen Sozialmodell überhaupt durchsetzen zu können.
Es ist nicht so, dass wir von Haus aus sofort mit allem, was wir in Europa denken, mehrheitsfähig auf der Welt sind. Am Anfang des 20. Jahrhunderts hatte Europa ungefähr 25 % der Einwohner der Weltbevölkerung. Heute sind wir bei 12 % und am Ende dieses Jahrhunderts werden wir bei 7 % sein. Es ist nicht gegeben, dass die gesamte Welt auf die 7 % sieht und sagt : Genauso, wie sie leben wollen, wollen wir auch leben. Das heißt, um unsere Interessen durchzusetzen, müssen wir erfolgreich sein. Wir müssen uns auf gemeinsame Interessen verständigen. Es darf nicht jede Nation mit ihren eigenen kleinen Interessen dazu treten. Das ist in vielen Bereichen unabdingbar. Deshalb haben wir internationale Verhandlungspositionen — von der WTO bis zu den Klimaverhandlungen. Deshalb haben wir inzwischen große Forschungsprojekte gemeinsam in Angriff genommen und deshalb müssen wir auch in anderen Bereichen zusammenarbeiten. Es ist ja auch der tiefere Sinn eines Binnenmarktes, unsere Kräfte zu mobilisieren und so einzusetzen, dass wir auch handeln können.
Wir haben auf dem Frühjahrsrat die Themen Klima und Energie behandelt. Für mich ist sehr interessant, dass aus dem Urgedanken der Gründung der Europäischen Union, nie wieder um Kohle und Eisenerz in Europa Kriege führen zu wollen, die Montanunion entstanden ist. Aus der Montanunion sind dann die Römischen Verträge entstanden. Und langsam entstand der Binnenmarkt. Heute spielt das Thema Energie wieder eine klassische Rolle bei der Frage : Wie solidarisch ist denn dieses Europa ? Denn plötzlich wird uns bewusst, dass wir in Zukunft bei der Zulieferung von Energie voneinander abhängig sind. Deshalb wird uns in Zukunft das Thema Energiesolidarität sehr beschäftigen. Kombiniert mit dem Thema Klimaschutz kommt hier eine ganz besondere Aufgabe auf Europa zu.
Nun kann man sagen : Mit einem weltweiten Anteil von 15 % an den CO2-Emissionen muss Europa ja nicht unbedingt der Vorreiter sein. Aber wir haben im Rat auch auf der Grundlage eines Kommissionsvorschlags und mit großer Unterstützung des Europäischen Parlaments gesagt : Doch, das wollen wir, weil wir glauben, dass wir eine Verantwortung für die zukünftige Entwicklung der Welt haben, weil wir glauben, dass sich die Schwellenländer nur anschließen werden, wenn die entwickelten Länder mit gutem Beispiel vorangehen und weil wir glauben, dass wir die Vereinigten Staaten von Amerika und andere Industrieländer, die noch sehr zögerlich sind, nur dann überzeugen können, indem wir selber mit gutem Beispiel vorangehen. Wir glauben außerdem, dass wir uns dadurch auch Chancen für Technologieentwicklungen und zukünftige Märkte erarbeiten, die zum Schluss wieder Wohlstandsgewinne für die Europäische Union insgesamt bedeuten. So haben wir uns auf einen Anteil der erneuerbaren Energien von 20 % festgelegt, auf einen Anteil des Biokraftstoffs von 10 %, auf eine Steigerung der Energieeffizienz, was wir dann in den internationalen Verhandlungsprozess einbringen wollen.
Wir haben auf dem Frühjahrsrat auch etwas gemacht, was mir persönlich wichtig ist. Wir haben uns nämlich dazu entschlossen, Bürokratie abzubauen, vor allem bei Berichts- und Statistikpflichten. Ich weiß, dass viele in den Parlamenten sagen : Bedeutet das nicht ein Weniger an Sicherheit ? Wir sagen : Man kann die Kosten senken, die wir für solche bürokratischen Dinge aufbringen. Das heißt im Zeitalter der Datenverarbeitung nicht in jedem Falle, dass eine Berichtspflicht völlig entfällt. Aber sie sollte wenigstens so organisiert werden, dass sie möglichst kosteneffizient stattfindet. Wer die europäischen Regelungen kennt, wird auch vermuten, dass es durchaus noch einige Klärungs- und Straffungsmöglichkeiten gibt, ohne dass gleich die Sicherheit der Menschen in Gefahr ist.
Mir ist das Thema deshalb so wichtig, weil ich der festen Überzeugung bin, dass wir unsere Kräfte auf das konzentrieren müssen, was unsere Zukunft ausmacht : Das ist Innovation, das ist Kreativität, das ist das Ziel, jeweils 3 % des Bruttoinlandsprodukts jedes Landes für Forschung und Entwicklung auszugeben, um Europa wirklich als einen Kontinent der Ideen dastehen zu lassen, den wir brauchen.
Wir haben mit den Vereinigten Staaten von Amerika vor einigen Tagen auf dem EUUSA-Gipfel vereinbart, dass wir die transatlantische Wirtschaftspartnerschaft intensivieren wollen — eine Idee, die bereits lange von Mitgliedern des Europäischen Parlaments vertreten wird und für die viel geworben wurde. Es geht nicht um eine Konkurrenzveranstaltung zu den Welthandelsgesprächen. Es geht auch nicht vorrangig um Handelszölle, sondern es geht um nichttarifäre Handelshemmnisse, wie es so schön heißt, also um Standards vieler technischer Entwicklungen und Verfahren, bei denen wir Milliarden einsparen könnten, wenn wir hier gemeinsam operierten.
Eine der konkreten Zielsetzungen ist zum Beispiel, dass die Rechnungslegungen der Unternehmen gegenseitig anerkannt werden, weil wir glauben, dass dadurch auf beiden Seiten des Atlantiks Milliarden an Geldern eingespart werden können. Man kann sich das etwa auch bei Zulassungsverfahren für Medikamente vorstellen. Wir haben vereinbart, dass wir gemeinsame Standards für Biokraftstoffe entwickeln wollen. Ziel ist also, die gesamten noch nicht geregelten Bereiche, die zukünftig auf uns zukommen, harmonisch zu regeln. Das ist auch genau das Vorgehen eines Binnenmarktes innerhalb der Europäischen Union gewesen, das uns so viel Kraft und auch so viel Hilfe gegeben hat. Wir haben bis jetzt schon für den Bürger einige spürbare Erleichterungen erreicht. Ich nenne nur das Stichwort Roaming-Gebühren. Ich hoffe, dass das Europäische Parlament, der Rat und die Kommission sich hier noch einigen werden.
Wir haben die Diskussion über den so genannten Verfassungsprozess vor uns. Ich glaube, es war richtig, nach abweisenden Voten der Bürgerinnen und Bürger in Frankreich und den Niederlanden eine Reflexionsphase einzulegen und einen Doppelansatz zu fahren. Das ist einerseits das Europa der Bürger und der Projekte, um deutlich zu machen : Wir wollen etwas für die Menschen erreichen. Auf der anderen Seite gilt es jetzt nach der Reflexionsphase aber auch zu sagen : Wir müssen zusehen, wie wir dieses Europa wieder handlungsfähig machen.
Ich sage all denen, die Ängste vor dem Verfassungsvertrag haben : Die Vertragsgrundlage von Nizza ist keine Grundlage, mit der die Europäische Union mit 27 Mitgliedsstaaten für die Zukunft handlungsfähig ist. Das kann man an zwei ganz einfachen Beispielen zeigen. Hier sind auch Vertreter von Kroatien und Mazedonien. Beide Länder können überhaupt nicht aufgenommen werden, egal ob sie die Kriterien erfüllen oder nicht, weil der gesamte Nizza-Vertrag auf 27 Mitgliedsstaaten ausgerichtet ist. Das sage ich all denen, die sehr für Erweiterungen eintreten.
Ein Zweites : Wir müssten in einen Europawahlkampf hineingehen, in dem wir anzukündigen hätten, dass die nächste Kommission weniger als 27 Kommissare hat und sich jedes Land aussuchen darf, aus welchem anderen Land kein Kommissar kommen soll. Ich glaube, das würde ein sehr « schöner« und « bürgernaher« Wahlkampf, bei dem das Verleumdungspotenzial erhebliche Größen annehmen könnte.
Schon allein diese beiden Aspekte sind Grund genug, die vertragliche Grundlage zu erneuern. Deshalb bin ich über den Abschlusssatz der « Berliner Erklärung« sehr glücklich, demnach wir die Europäische Union bis zu den Europawahlen 2009 auf eine neue vertragliche Grundlage stellen wollen. Denn Sie, die Parlamentarierinnen und Parlamentarier, müssen ja den Wahlkampf führen. Ich beziehe mich mit ein : Wir müssen Wahlkampf machen. Was sollen wir denn den Menschen über Europa sagen, wenn wir bis dahin nicht die Frage beantwortet haben, wie wir uns vorstellen, wie dieses Europa wieder handlungsfähig wird ? — Ja, es darf geklatscht werden.
Handlungsfähigkeit bedeutet für mich, dass wir sowohl institutionell handlungsfähig sind als auch, dass wir die Aufgaben auf Europa übertragen haben, die nur europäisch gelöst werden können. Ich nenne z. B. das Thema Energiepolitik, wofür es bis jetzt in Europa keine Zuständigkeit gibt. Aber wir alle sind der Meinung, dass Energiesicherheit und Klimaschutz inzwischen Aufgaben sind, die im nationalen Rahmen alleine nicht mehr gelöst werden können.
Nun weiß ich, dass es viele Ängste gibt, was Europa als « Superstaat« anbelangt. Auf diese muss man sicherlich Rücksicht nehmen. Ich weise aber auch darauf hin, dass der Verfassungsvertrag genau auf diese Angst an vielen Stellen schon eine Antwort gibt, weil er nämlich die Rolle der nationalen Parlamente stärkt, das Subsidiaritätsprinzip stärkt, die Regionen stärkt, die Mitsprache der nationalen Parlamente in Brüssel stärkt. Das heißt, jene, die etwas beklagen, müssen aufpassen, dass sie nicht auf etwas zurückfallen, was auf all diese Ängste gar keine Antwort gegeben hat. Der Verfassungsvertrag mag ja bei der Kompetenzzuordnung und bei der Frage der Umsetzung des Subsidiaritätsprinzips vielleicht auch noch Mängel aufweisen. Aber zum ersten Mal sind diese Themen überhaupt angesprochen. Deshalb muss man aufpassen, dass diejenigen, die etwas geschafft haben, zum Schluss nicht gegen einen Verfassungsvertrag sind und damit für etwas, nämlich für die heutige vertragliche Grundlage, die mit Sicherheit gegenüber all diesen Bedenken nicht besser ist.
Nun kann ich Ihnen heute natürlich nicht sagen, was geschehen wird. Wir versuchen, die Dinge aufzunehmen. Wir haben als deutsche Präsidentschaft nicht den Auftrag, das Problem zu lösen, sondern einen Fahrplan vorzubereiten. Wir haben gesagt : Bis zur französischen Präsidentschaft im Jahre 2008 soll es dann gelöst sein. Das Problem mit dem Fahrplan ist nur, dass sich manche auf keinen Fahrplan einlassen, wenn sie nicht wissen, wohin sie fahren.
Das richtige Maß zu finden, ohne jemanden zu überfordern — das ist die spannende Aufgabe, die vor uns steht. Politik besteht ja immer aus solchen spannenden Herausforderungen. Ich kann Ihnen an dieser Stelle nur sagen, dass sie die deutsche Präsidentschaft gemeinsam mit anderen offensiv annimmt. Aber ich sage auch : Es kann nicht sein, dass aus der Einstimmigkeit folgt, dass zum Schluss nur noch jene, die Veränderung wollen, etwas zu sagen haben. 18bis 22 der 27 Staaten in Europa sind mit dem, was vorliegt, ganz zufrieden. Dazwischen muss man einen fairen Weg finden. Deshalb muss dieser Fahrplan auch zeigen, in welche Richtung es geht, dass nicht einer viele andere überfordert. Das heißt : Einstimmigkeit ist in Europa an solchen Stellen immer notwendig. Sie wissen das.
Ich will auch noch einmal etwas zu den Ängsten sagen. Die Nationalstaaten bleiben die Herren der Verträge; das heißt, an dieser Stelle ist ganz klar reguliert : Es wird keine Kompetenzübertragung geben, wenn dies nicht die Länder selber wollen. Insofern dürfen Sie davon ausgehen, dass wir uns anstrengen, die Dinge voranzubringen, dass wir auch glauben, dass die Stunde für bestimmte Entwicklungen in Europa recht günstig ist bzw. in mancher Hinsicht in den nächsten eineinhalb Jahren auch nicht besser wird. Wenn man uns zu viel Geschwindigkeit vorwirft, muss man sich immer fragen : Wenn man sich mehr Zeit ließe, käme man dann zu anderen Antworten ? Das Zeitfenster nach hinten ist durch die Europawahl klar begrenzt. Dazwischen wird Deutschland nicht übermäßig drängen, aber Deutschland wird schon Wert darauf legen, dass das, was man lösen kann, auch gelöst wird.
Mit diesen etwas kryptischen Formulierungen lasse ich Sie jetzt zurück. Sie werden natürlich bei gutem Willen für alles Verständnis haben. Sonst werden Sie sagen : Merkel mauert. Ich darf Ihnen jedenfalls sagen, dass wir uns großer Anstrengungen bemüßigen.
Einige weitere Dinge wollen wir auch vorantreiben : Das Thema Migration, die Stärkung von FRONTEX. Ich glaube, das ist ein Riesenthema. Wir haben jetzt zum ersten Mal eine so genannte Trio-Präsidentschaft, also die Präsidentschaft von Deutschland, Portugal und Slowenien. Portugal wird am Ende des Jahres einen EUAfrika-Gipfel einberufen. Das Thema Migration spielt auf unserem Nachbarkontinent eine große Rolle. Hier kreuzen sich dann auch unsere Entwicklungsanstrengungen, unsere Anstrengungen im Hinblick auf die politische Zusammenarbeit, auch die G8-Initiativen, mit denen wir jetzt als G8-Vorsitzland natürlich auch zu tun haben. Ich finde es z. B. auch im Hinblick auf die chinesischen Anstrengungen ganz wichtig, dass Europa gegenüber seinem Nachbarkontinent mehr Verantwortung und Flagge zeigt. Ich bin deshalb sehr dankbar dafür, dass Europa an dieser Stelle auch endlich einmal ein solches Treffen durchführt, wie es dieses Jahr z. B. zwischen China und Afrika stattgefunden hat.
Wir wollen natürlich auch eng mit Ihnen zusammenarbeiten, wenn es um die Vermittlung der europäischen Ideen geht, um die Vermittlung europäischer Anstrengungen. Ich werde morgen in Brüssel sein. Gemeinsam mit Hans-Gert Pöttering werden wir uns mit Vertretern der Religionsgemeinschaften treffen, um auch das Wertefundament Europas besser einzubeziehen.
Wir werden in dieser Woche auch den EU-Russland-Gipfel haben. Auch hier brauchen wir ein neues Partnerschafts- und Kooperationsabkommen. Das alte läuft in diesem Jahr aus. Es ist im Übrigen bereits 1997 verabschiedet worden und bedarf also ohnehin einer Erneuerung. Wir haben noch eine ganze Reihe von Problemen zu überwinden, bevor die Verhandlungen beginnen können, aber ich hoffe, dass der Gipfel wenigstens deutlich macht, dass wir an einer engen strategischen Partnerschaft mit Russland interessiert sind. Denn es ist unsere Nachbarregion, es ist ein Lieferant von Energie für Europa. Und bei allen offenen Worten auch zu Themen wie Menschenrechten, wie Freiheiten der Bürgerinnen und Bürger ist es wichtig, eine gute strategische Partnerschaft mit Russland zu haben.
Sie sehen an meinen Darlegungen, dass es uns an Arbeit nicht mangelt. Ich sehe an Ihrer zahlreichen Anwesenheit, dass Sie bereit sind, uns zu unterstützen. Insofern macht es immer wieder Spaß, in dieser Europäischen Union zusammenzuarbeiten, uns gegenseitig zu unterstützen, die Probleme miteinander zu diskutieren.
Den Kolleginnen und Kollegen aus Mazedonien und Kroatien, die anwesend sind, sage ich, dass natürlich auch das Thema Westbalkan — gerade in den letzten Tagen — für uns eine zentrale Bedeutung hatte und dass wir sehr glücklich sind, dass sich jetzt in Serbien eine Regierungsbildung abzeichnet, was ich für außerordentlich wichtig halte. Ich bin der tiefen Überzeugung, dass die Europäer, die ein Interesse daran haben, die Welt friedlicher und demokratischer zu gestalten, dies gemeinsam allemal besser können. Deshalb haben wir unsere Präsidentschaft unter das Motto gestellt : « Europa gelingt gemeinsam. »
In diesem Sinne wünsche ich Ihnen auch weiterhin eine gute Beratung.
Bijlage 2
Conference of Community and European Affairs Committees of Parliaments of the European Union (COSAC)
Contribution adopted by the XXXVII COSAC
Berlin, 13-15 May 2007
1. The Future of Europe
1.1 COSAC recognizes the effort made by the presidency to gather the governments of all Member States of the European Union and representatives of the European Institutions in Berlin at the fiftieth anniversary of the signing of the Rome Treaties. COSAC notes the significance of the Berlin Declaration and hopes that it will create a lasting positive impetus for European Integration. COSAC calls on national parliaments to contribute towards awareness of this document.
1.2 COSAC welcomes the endeavours of the German presidency to put the issue of the Constitutional Treaty on the European agenda again. The debate on this issue will enter a decisive phase with the report by the German presidency to the June European Council. COSAC appreciates the firm stance taken by the presidency in favour of reaching an institutional settlement before the European elections in 2009.
1.3 COSAC supports the idea of convening a conference of representatives of the governments of the Member States in the second half of the year with a clear mandate and timetable in order to reach a solution which, possibly with a different presentation, strongly respects the substance and objectives of the Treaty establishing a Constitution for Europe. Such a solution should take account of and give an answer to the concerns which have been expressed in some Member States and enhance democracy, transparency and the efficiency of decision making and the protection of rights of the citizens. It should furthermore address the challenges connected with climate change and energy security. COSAC expects that national parliaments and the European Parliament will be kept fully involved and that their views will be duly taken into account. COSAC insists that any institutional settlement must take into account the important role national parliaments play in the European integration and the process of European policy formulation. Their future role must be at least equal in strength to that foreseen in the Constitutional Treaty. The Protocol on the role of national parliaments in the European Union and the Protocol on the application of the principles of subsidiarity and proportionality as annexed to the Constitutional Treaty must be maintained and better and more effectively implemented, as must the new system by which the Commission transmits all proposals directly to national parliaments, invites them to react so as to improve the process of policy formulation, and responds in writing to those reactions.
1.4 COSAC notes that the European Parliament is planning and organizing a meeting with representatives of the civil society (Agora) and proposes joint parliamentary meetings between national parliaments and the European Parliament to exchange views and to evaluate the outcome of the European Council and the perspectives for treaty reform during the expected Intergovernmental Conference.
2. Cooperation with the European Commission and the Council
2.1 The new mechanism through which the Commission transmits directly all new proposals and consultation papers to national parliaments is welcomed by national parliaments as an added value. With a view to improving this arrangement, COSAC calls for a standardised procedure for the presentation of the Commission's consultation documents. COSAC welcomes the efforts of the Commission to provide national parliaments with reasoned replies to their remarks and to further explain its proposals. COSAC calls on the Commission to respond to statements of national parliaments within two months and to react visibly if a significant number of national parliaments raise concern over a specific proposal on comparable grounds. COSAC would appreciate further clarification of the system under which the Commission intends to handle the statements of national parliaments. Moreover, COSAC stresses the importance of Commission consultation documents being translated into all official languages.
2.2 COSAC calls on the Commission to maintain its efforts to better explain its proposals with regard to the principles of subsidiarity and proportionality in accordance with the guidelines of the Protocol on the application of the principles of subsidiarity and proportionality of the Amsterdam Treaty. Explanations regarding the choice of legal base would equally be welcomed by national parliaments.
2.3 COSAC encourages national parliaments to upload their findings on specific proposals of EU measures on the IPEX website in order to foster an exchange of views between national parliaments. The Commission´s replies to statements of national parliaments should also be accessible to other national parliaments. COSAC calls upon the Commission to assess the possibility of uploading its correspondence with national parliaments on the IPEX website.
2.4 COSAC calls on the Council to assess the possibility of uploading on the IPEX website proposals made by Member States within the framework of the second and third pillar, especially any legislative proposal or initiative in relation to the establishment of an area of freedom, security and justice which might have a direct impact on the rights and freedoms of individuals.
3. The European Commission Annual Policy Strategy for 2008
COSAC stresses the importance for national parliaments of being informed at an early stage about the Commission´s policy projects. COSAC expects that the Commission´s announcement to enter into a critical dialogue with national parliaments on its political priorities will be followed by concrete action, also within the framework of COSAC. COSAC wishes for the positions of national parliaments to be taken into account by the Commission in the formulation of its Legislative and Work Programme for 2008.
4. Climate Change and Climate Protection — The Role of the EU
4.1 Climate Change has become a major public concern in Europe. COSAC supports the need for devising an integrated climate and energy policy of the European Union which should ensure environmental sustainability, encourage EU economic growth and support its competitiveness in the world.
4.2 COSAC underlines the EU´s determination to take a leading role in the fight against climate change. It welcomes the agreement reached at the European Spring Council 2007 on the Union's comprehensive policy in the field of climate protection and energy. COSAC endorses the EU´s commitment to a 20 % cut in greenhouse gas emissions by 2020 and welcomes its willingness to raise this goal to 30 % provided other developed countries commit themselves to comparable emission reductions and economically more advanced developing countries contribute adequately according to their responsibilities and respective capabilities. COSAC welcomes EU institutions to take a pro-active stance in the negotiations of an international climate regime that will succeed the Kyoto Protocol.
5. The Eastern Dimension — Russia, Eastern Europe, Central Asia
5.1 COSAC stresses the importance of expanding the European area of security, stability and prosperity. COSAC therefore welcomes efforts to devote particular attention to the EU's relations with its neighbours to the East and with Central Asia in order to achieve prosperity and democracy in these regions.
5.2 COSAC encourages the Members States of the European Union to manage the European Neighbourhood Policy in a more coherent and united way making full use of the instruments and experience of the Council of Europe. COSAC underlines the need to strengthen the European Neighbourhood Policy in order to gradually bring the EU´s eastern neighbours to a level which is politically and economically comparable with that of the EU.
5.3 COSAC emphasises the importance of stability and security in Ukraine for the entire region and underlines the necessity for a strong and long-term engagement of the EU in co-operation with Ukraine. COSAC calls on all politicians involved in the recent political crisis to undertake all possible endeavours to reach a joint solution.
5.4 COSAC recognizes the need to improve regional cooperation in particular in the Black Sea region with which since the accession of Romania and Bulgaria the EU has common borders. The region offers great potential for economic cooperation and growth.
5.5 COSAC stresses the strategic importance of Central Asia and calls for an EU strategy for Central Asia aimed at bringing stability, peace and prosperity in the whole region around the Caspian Sea.
5.6 Desirous of giving a real impetus to the dialogue between the European Union and Russia, COSAC expresses the hope that all obstacles to negotiations about a Partnership and Cooperation Agreement between European Union and Russia will be removed at the Summit of Samara on 18 May 2007. COSAC has followed events in Moscow, St. Petersburg and Nizhny Novgorod during the last few weeks with deep concern. COSAC however welcomes the fifth Round of Human Rights Consultations between the European Union and the Russian Federation on 3 May, 2007. COSAC calls for a united European policy towards Russia based on solidarity among EU member states in their relations with Russia, whereby a robust defence of human rights and democratic values provides the core basis for the EU — Russia dialogue.
Conclusion adopted by the XXXVII COSAC Berlin, 13-15 May 2007
1. Subsidiarity and proportionality checks
1.1 The subsidiarity and proportionality checks initiated by COSAC have brought added value to the way EU affairs in most national parliaments are treated. COSAC therefore resolves to conduct at least two further subsidiarity and proportionality checks per year.
1.2 The selection mechanism should be similar to the one chosen for the first two subsidiarity and proportionality checks. accordingly, the selection should be based on the European Commission´s Legislative and Work Programme.
COSAC agreed that the selection procedure should work as follows :
i. National parliaments, which wish to participate, should check the European Commission's annual work programme 2008 after following its presentation in autumn 2007 making use of their own practices.
ii. National parliaments should inform the COSAC Presidency of the proposals they wish to subject to the subsidiarity and proportionality check if possible in November 2007. They may, however, make additional proposals at any time.
iii. The Presidential Troika should designate the proposals most frequently mentioned as subject to the check and submit a corresponding suggestion to the national parliaments. If there are no objections raised by a deadline to be defined, the Presidential Troika shall state that the designated proposals have been selected. The Presidential Troika will then request the COSAC-Secretariat to start the procedure.
1.3 COSAC calls upon incoming presidencies to consider holding a discussion of subsidiarity and proportionality during one of the coming COSAC meetings, aiming at a better understanding of the two principles on the one hand, and the procedure to be followed between national parliaments and the European Institutions on the other. The effectiveness of future subsidiarity and proportionality checks could be enhanced if conducted on the basis of commonly agreed criteria.
1.4 The Commission has responded to national parliaments with regard to subsidiarity and proportionality. Should a significant number of COSAC delegations raise serious concerns over a specific proposal, COSAC could, on the initiative of the presidency, be called upon to deliberate on further action to be taken.
1.5 In accordance with the recommendation of the 7th biannual report of COSAC, the coordinated scrutiny of European legislative proposals should continue. To this end, the following COSAC meetings are requested to approve a list of legislative proposals which are to be subjected to a coordinated subsidiarity and proportionality check.
1.6 COSAC calls upon the national parliaments and the European Parliament to contribute actively to the reduction of bureaucratic burden an overregulation.
2. Interparliamentary Cooperation
2.1 COSAC recalls the commitment in the conclusion of the XXXVI COSAC Helsinki, 20–21 November 2006, para 6, namely to communicate the statements which they have addressed to the Commission to each other as soon as possible. In order to achieve this, parliaments are encouraged to make more intensive use of the interparliamentary information exchange website IPEX.
2.2 COSAC welcomes parliamentary meetings between the European Parliament and national parliaments; it values the efforts of the European Parliament in this regard. However, the number of such meetings should not exceed the current level in order not to affect the core work of national parliaments. Being aware of the discussion going on in the EU Speakers´ Conference, COSAC underlines the need for more coordination of joint meetings with other interparliamentary fora and encourages incoming presidencies to hold a debate on the possible structure of interparliamentary cooperation in the future.
3. Co-Financing the COSAC Sekretariat
3.1 COSAC welcomes 13 letters of intent of COSAC parliaments or parliamentary chambers stating the willingness to contribute towards the co-financing of the permanent member of the COSAC secretariat and the cost of running COSAC´s office and website. A further nine COSAC delegations announced during the XXXVII COSAC their readiness to sign and submit similar letters in the near future. COSAC expresses its gratitude towards the European Parliament for its continued willingness to provide the secretariat with the necessary office space on its premises in Brussels.
3.2 COSAC calls upon the German presidency and the incoming Portuguese presidency to proceed with the collection of these letters with a view to reaching the minimum participation of the national parliaments of fourteen Member States before the XXXVIII COSAC in Lisbon.
4. Possible Amendments to COSAC Rules of Procedure
4.1 COSAC welcomes the endeavours of the German presidency to work towards a draft amendment to COSAC´s Rules of Procedure with a view to including provisions on the COSAC secretariat and its permanent member.
4.2 The conference has taken note of the progress of talks on the political level. The Presidential Troika is encouraged to continue its efforts which should prepare the ground for a final decision during the Portuguese presidency.
4.3 COSAC reiterates its invitation to the parliaments of each Member State to identify and put forward suitable candidates for the post of permanent member of the secretariat, with a view to taking up the post in January 2008.
(1) Er weze de aandacht op gevestigd dat het Belgisch parlement (Kamer en Senaat) deze informatie (onder meer COREPER-dossiers) reeds de facto ontvangt via de Belgische Permanente Vertegenwoordiging bij de EU.