2-1466/1 | 2-1466/1 |
21 FEBRUARI 2003
Dit wetsvoorstel concretiseert het verdrag dat op 13 november 2000 te Brussel werd ondertekend tussen de regeringen van het Koninkrijk België en de Republiek Polen, met betrekking tot bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
Naar aanleiding van de vergadering van 23 april 1996 van de verenigde commissies voor de Justitie, de Buitenlandse Aangelegenheden en de Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden (1), heeft de regering de aandacht van de parlementairen gevestigd op de dagelijks terugkerende moeilijkheden waarmee de politiediensten, in het kader van de strijd tegen de georganiseerde misdaad, te kampen hebben.
Datzelfde jaar heeft de Europese Unie een alarmerend rapport gepubliceerd over de steeds ernstiger wordende gevolgen van de georganiseerde misdaad in de landen van Midden- en Oost-Europa. Het rapport onderstreepte eens te meer de noodzaak contacten met de landen van deze regio uit te bouwen, met het oog op een efficiëntere bilaterale uitwisseling van informatie en een gezamenlijke projectmatige aanpak van de criminele problemen met een weerslag op ons land.
De gegevens van dit rapport, alsook de vaststelling dat bepaalde actuele samenwerkingsverbanden tussen de Europese Unie en de P.E.C.O.-landen (2) onwerkzaam zijn, heeft de regering ertoe aangezet een bredere samenwerking met deze Staten te voorzien.
Tijdens de genoemde vergadering van 23 april 1996, zijn de leden van de verenigde commissies overeengekomen dat briefwisseling zou worden gevoerd tussen de Belgische ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie enerzijds en de bevoegde ministers van een aantal van deze landen anderzijds. Het was evenwel toen al duidelijk dat deze informele uitwisseling van informatie, met betrekking tot de internationale politiesamenwerking tussen de genoemde ministers, moest uitmonden in een bilaterale overeenkomst.
In deze optiek hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie een ontwerpverdrag, met betrekking tot de politiesamenwerking tussen de regeringen van het Koninkrijk België en de P.E.C.O.-landen, neergelegd.
Dit ontwerp is tijdens de vergadering van 2 juli 1997, van de verenigde commissies van Binnen -en Buitenlandse Zaken en van Justitie, besproken en goedgekeurd (3). Het verdrag dat u thans wordt voorgelegd wijkt nauwelijks af van het genoemde ontwerp.
De regering heeft geoordeeld dat, na het stadium van de briefwisseling, een verdrag met betrekking tot de politiesamenwerking tot stand kon gebracht worden, met die landen die reeds het verst gevorderd zijn in het democratiseringsproces en die aan ons land de nodige garanties kunnen verzekeren. De voorgestelde lijst van deze landen werd op de genoemde vergadering van 2 juli 1997, besproken en goedgekeurd.
In het verlengde van de uitwisseling van brieven werd met Polen overgegaan tot de installatie van een aantal werkgroepen met betrekking tot immigratie, drugs, witwassen, gestolen voertuigen, prostitutie en seksueel misbruik van kinderen, opleiding en technische ondersteuning.
Uit de vergaderingen van de werkgroepen is gebleken dat Polen in essentie geïnteresseerd is in opleiding, informatie-uitwisseling rond georganiseerde misdaad en de notie « basispolitiezorg ». België is dan weer uit op het wegwerken van de praktische belemmeringen in de samenwerking met Polen, het opstarten van concrete acties rond drugs en immigratie. In de schoot van de werkgroepen werden reeds een aantal afspraken gemaakt.
In het kader van drugsonderzoek wordt Polen heel freçuent genoemd, binnen de context van organisaties begaan met de handel in synthetische drugs. In België zijn dan weer Poolse bendes actief in het domein van de smokkel in rookwaren en alcoholische dranken. Ook de handel in wapens en gestolen voertuigen wordt in toenemende mate beter en beter gestructureerd.
Op 3 oktober 2001 heeft Polen een samenwerkingsakkoord met Europol ondertekend. In juni 2001 is een Nationaal centrum voor criminele informatie opgericht dat op basis van de wet van 6 juni 2001 zich zal bezig houden met het verzamelen, verwerken en meedelen van criminele informatie, terwijl in dezelfde periode de Europese Conventie tegen witwaspraktijken is geratificeerd. Met betrekking tot de strijd tegen drugshandel werd op 1 juni 2001 het Nationaal informatiecentrum voor drugbestrijding opgericht dat zal instaan voor de samenwerking met de instanties van de Europese Unie op dat vlak (4).
Numerieke gegevens inzake deze criminele fenomenen en de interacties tussen de Belgische politiediensten en deze van de P.E.C.O.-landen kunnen niet geleverd worden, rekening houdend met het gebrek aan gestandaardiseerde definiëring, vatting en verwerking van de gegevens.
Daar de finaliteit van de politiesamenwerking naast preventie ligt in de bestrijding en de bestraffing van criminelen, is het essentieel dat er een zeker parallellisme bestaat tussen de ontwikkeling van de internationale politiesamenwerking enerzijds en de ontwikkeling van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken anderzijds. Het was dus noodzakelijk voorafgaandelijk na te gaan welke de stand van zaken van gerechtelijke samenwerking in strafzaken was (5).
De Republiek Polen is partij bij de meeste belangrijke verdragen die de Raad van Europa met betrekking tot deze materie heeft opgesteld (6).
Het probleem van de bescherming van de informatie zal behandeld worden in de toelichting bij artikel 11 van het verdrag.
Het voorliggend Verdrag heeft tot doel de samenwerking met de politiediensten in Polen te institutionaliseren, rekening houdende met twee belangrijke overwegingen. In de eerste plaats heeft een dergelijk verdrag tot doel de bilaterale samenwerking te centraliseren, door in elk land een overheid of een dienst aan te duiden, belast met het ontvangen van de verzoeken tot samenwerking en het doorsturen van de antwoorden.
In de tweede plaats kunnen, door aan de samenwerking een wettelijke basis te geven, de betrokken regeringen de risico's die verbonden zijn aan de rechtstreekse contacten tussen de verschillende partners, aanzienlijk verkleinen.
Het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ondertekend te Brussel op 13 november 2000, telt 18 artikelen.
Dit verdrag vertolkt de uitdrukkelijke wens van beide partners, de politiesamenwerking tussen de beide landen te bevorderen en het optreden tegen de georganiseerde misdaad te coördineren. Het verdrag preciseert de verschillende gebieden waarop kan worden samengewerkt, de middelen van samenwerking alsook de praktische formaliteiten die bij het behandelen van een vraag tot samenwerking moeten gerespecteerd worden.
Het mag onderlijnd worden dat, over het algemeen, de meeste bepalingen van het verdrag geïnspireerd zijn door de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (7).
Om te besluiten kan gesteld worden dat, door dit Verdrag te ratificeren, België ongetwijfeld over een noodzakelijk instrument in de strijd tegen de georganiseerde misdaad in de landen van Midden -en Oost-Europa zal kunnen beschikken.
In tegenstelling tot sommige andere verdragen met landen van Centraal-europa bevat dit Verdrag geen definities van begrippen uit de criminele sfeer die in de politiesamenwerking een belangrijke rol spelen. Dit hoeft op zich geen probleem te zijn. Polen is een kandidaat lidstaat van de Europese Unie en als dusdanig bezig met het afstemmen van zijn gerechtelijk en politieel apparaat op de lidstaten van de EU en op de Europese regelgeving (8).
2.1. De gebieden waarin wordt samengewerkt (artikelen 1 en 2)
Artikel 1
In artikel 1 wordt aangegeven dat de samenwerking gericht is op de voorkoming, de vervolging en de bestraffing van de georganiseerde criminaliteit, alsook op de voorkoming van bedreigingen van de openbare orde en veiligheid, door identificatie en opsporing van personen en voorwerpen.
Het is de uitdrukkelijke wens van de regering om het toepassingsgebied van dit Verdrag te beperken tot de meest ernstige misdrijven als gevolg van bepaalde vormen van georganiseerde criminaliteit. Het Verdrag heeft immers tot doel de georganiseerde criminaliteit te bestrijden en niet zozeer de zogenoemde « kleine delinquentie » en/of de delinquentie die niet tot het toepassingsgebied van de georganiseerde misdaad behoort. Voor deze categorieën van misdrijven bestaan geëigende kanalen (bijvoorbeeld Interpol) die nog altijd de meest efficiënte weg zijn om te bewandelen.
Punt 2 van artikel 1 voorziet een niet beperkende lijst van misdrijven waarop het Verdrag in het bijzonder van toepassing zal zijn en die bijgevolg als prioriteiten kunnen aanzien worden. Het gaat meer bepaald over de zware misdrijven tegen het leven en de fysieke integriteit van personen; illegale immigratie; drugshandel; mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen; misdrijven in verband met financiële criminaliteit en allerlei vormen van illegale handel in kunstvoorwerpen, voertuigen, wapens en andere gevaarlijke stoffen en inbreuken in verband met de productie, de handel, het voorschrijven en het toedienen van stoffen met hormonale werking. Verder nog de strafbare feiten van gemeen recht die verband houden met terroristische activiteiten.
Artikel 2
Onverminderd de strijd en de vervolging van een aantal zware misdrijven uit de sfeer van de georganiseerde criminaliteit, beoogt deze samenwerking ook de opsporing van vermiste personen en personen die zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van straffen, de identificatie van niet-geïdentificeerde lijken en de opsporing van gestolen, verdwenen, verduisterde of verloren voorwerpen op het grondgebied van de andere Partij.
2.2. De wijze van samenwerking (artikel 3)
Het voorliggend Verdrag voorziet de uitwisseling van relevante en belangrijke gegevens in de vorm van een nauwe en voortdurende samenwerking die kan georganiseerd worden door permanente contacten via verbindingsofficieren of attachés.
Door de nadruk te leggen op de begrippen « relevant en belangrijk » onderstrepen de Partijen de wens om de uitwisseling van gegevens zo efficiënt en effectief mogelijk te organiseren. De bevoegde diensten moeten vermijden elkaar met nutteloze en onbelangrijke informatie te belasten en de uitwisseling te beperken tot die informatie die daadwerkelijk kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag.
De samenwerking via verbindingsofficieren wordt verduidelijkt in de toelichting bij artikel 10.
2.3. Uitwisseling van gegevens (artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 14)
Artikel 4
De in dit Verdrag beoogde samenwerking zal worden geconcretiseerd door het uitwisselen van gegevens en materiaal in het kader van de operationele samenwerking; het criminalistiek deskundigenonderzoek en de grenscontrole.
De Partijen verbinden zich er toe om hun politiediensten wederzijdse bijstand te laten verlenen ter bestrijding van de misdrijven, bedoeld in artikel 1 en 2 van het Verdrag, door een passend en gecoördineerd optreden voor zover dit optreden of de uitvoering ervan naar nationaal recht niet onderworpen is aan de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden en voor zover door de aangezochte Partij geen dwangmiddelen moeten worden toegepast. Bij twijfel of de informatie al dan niet tot de bevoegdheid van de gerechtelijke overheid behoort zal het advies van de overheid in kwestie ingewonnen worden.
Deze bepalingen zijn geïnspireerd door het artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (9) en hebben tot doel de rechtstreekse en autonome uitwisseling van gegevens tussen de politiediensten zonder tussenkomst van de gerechtelijke overheden, af te bakenen.
Artikel 5
De andere vormen van wetenschappelijke samenwerking en technische bijstand (uitwisseling van materieel, technische en wetenschappelijke ondersteuning, expertises en gespecialiseerd technisch materiaal, uitwisseling van ervaringen en methoden, uitwisseling op het vlak van de beroepsopleiding en de hulp bij de voorbereiding ter uitvoering van verzoeken tot rechtshulp in strafzaken) zullen eerder dossier per dossier behandeld worden. De praktische uitvoeringsmodaliteiten zullen tussen de bevoegde Ministers overeengekomen worden.
Artikel 6
In artikel 6 wordt de mogelijkheid voorzien om, zonder een daartoe strekkend verzoek, in bepaalde gevallen en ter bestrijding van de misdrijven bedoeld in artikel 1 van het Verdrag of ter afwending van een gevaar voor de openbare orde en veiligheid en met in acht name van het nationale recht, een uitwisseling van gegevens autonoom te laten gebeuren.
Dit wil zeggen, voor zover de uitwisseling niet onderworpen is aan de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden. Bij twijfel of de informatie al dan niet tot de bevoegdheid van de gerechtelijke overheid behoort zal het advies van de overheid in kwestie ingewonnen worden.
In België wordt deze materie geregeld door de omzendbrief COL 2/2000 van 14 februari 2000 van het College van procureurs-generaal (10).
Enkel de gegevens opgenomen in de bijlage A van deze omzendbrief kunnen autonoom en rechtsreeks worden uitgewisseld.
Andere gegevens mogen enkel uitgewisseld worden met toelating van de gerechtelijke overheden of in het kader van een verzoek tot rechtshulp. In elk geval mag voor de rechtstreekse en autonome uitwisseling van gegevens nooit enig dwangmiddel gebruikt worden.
Artikel 7
De uitwisseling van gegevens op basis van de bepalingen van het Verdrag betekent niet automatisch dat deze gegevens kunnen gebruikt worden als bewijs. Wanneer de verzoekende Partij de informatie die zij heeft verkregen wenst te gebruiken als bewijsmiddel in een, krachtens het nationale recht voorziene procedure, dan kan dat alleen maar indien de informatie werd verkregen in het kader van een verzoek om rechtshulp.
Dit betekent dat informatie die voorafgaandelijk is verzameld in de proactieve fase niet meer strafrechtelijk kan gebruikt worden vanuit het oogpunt van de strafprocedure, ondanks een latere vraag tot informatie. De gegevens verkregen in de proactieve fase moeten herbevestigd worden in de loop van het gerechtelijk onderzoek (11). Deze bepaling werd eveneens geïnspireerd door het artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (12).
Dit artikel beklemtoont het belang van de gerechtelijke samenwerking en de noodzaak om op het vlak van de ratificatie van de Europese verdragen een zeker evenwicht te bereiken. Polen heeft hiervoor de belangrijkste verdragen het Uitleveringsverdrag en aanvullende protocollen en het Verdrag inzake rechtshulp in strafzaken en aanvullende protocollen, geratificeerd.
Artikel 8
Vanuit de bezorgdheid de uitwisseling van gegevens te centraliseren, moeten de vragen en antwoorden van beide Partijen passeren langs de centrale organen in België en Polen, die daarvoor door de respectievelijke Staten, zijn aangeduid.
Op deze wijze is het duidelijk van wie en naar wie de verzoeken om bijstand en de antwoorden daarop worden verzonden en is het mogelijk eventuele alternatieve kanalen snel op te sporen.
Er zullen echter wel situaties ontstaan waarin aan de voorwaarde van de te volgen kanalen niet kan worden voldaan. In dit geval, ten uitzonderlijken titel en dan nog alleen in geval van hoogdringendheid, kan informatie rechtstreeks tussen de ene bevoegde overheid en de andere worden uitgewisseld. De uitwisseling in dit geval kan mondeling gebeuren, zij het dat schriftelijke bevestiging moet volgen.
De verzoekende partij moet evenwel, het centrale orgaan belast met de internationale samenwerking van de aangezochte Partij, zo snel mogelijk in kennis stellen van het rechtstreeks verzoek en de motivering om van de gebruikelijke procedure af te wijken.
Het begrip « hoogdringendheid » moet gezien worden als een situatie waarin, door gebruik te maken van de voorgeschreven procedure bij de centrale organen, de opsporingsactie dreigt gehinderd of geschaad te worden.
De aanduiding van de centrale organen en de modaliteiten van de wederzijdse bijstand is een zaak voor de bevoegde Ministers van beide Partijen.
Voor wat België betreft heeft de regering, op het ogenblik van de ondertekening van het Verdrag, geopteerd voor één orgaan, in casu de Algemene Politiesteundienst (APSD) en meer bepaald de afdeling Internationale Politiesamenwerking.
Deze keuze werd verantwoord door de bijzondere structuur van het toenmalige politielandschap met drie algemene politiediensten en nog een aantal administratieve diensten zoals de Dienst Vreemdelingenzaken.
Sedert 1 januari 2001 is de Algemene Politiesteundienst opgenomen in de nieuwe geïntegreerde politiestructuur, met name in de federale politie. De vroegere afdeling Internationale Politiesamenwerking werd in tweeën gesplitst; alles wat strategie en beleid inzake internationale politiesamenwerking betreft valt onder de bevoegdheid van de Commissaris-generaal van de federale politie, Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking. De operationele aspecten daarentegen, en dus het centraal orgaan bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag, valt onder de bevoegdheid van de Directie-generaal voor de operationele ondersteuning.
Het nieuwe centrale orgaan betreft dus :
« Federale politie Directie-generaal voor de Operationele Ondersteuning Directie voor de Operationele Politiesamenwerking ».
In toepassing van artikel 8.5 werd deze wijziging aan de andere verdragsluitende Partij meegedeeld.
Het centraliseren van de aanspreekpunten en de uitwisseling van gegevens zou de efficiëntie moeten verhogen en een versnippering van vooral horizontale contacten vermijden. Meer in het bijzonder de gegevensbescherming heeft nood aan een overkoepelende structuur om de risico's tot een minimum te herleiden.
Het is echter niet de bedoeling dat de Directie voor Operationele politiesamenwerking al de gegevens ook daadwerkelijk gaat behandelen; de dienst zal hoofdzakelijk fungeren als doorgeefluik in beide richtingen en de behandeling zal, behoudens uitzonderingen, door de betrokken diensten zelf gebeuren.
Voor het geval de uitwisseling van informatie zou geregeld worden via de verbindingsofficieren (artikel 10 en 15) zullen de gegevens eerst via hen passeren alvorens naar het betrokken centraal orgaan te worden doorgesluisd.
De bepalingen van artikel 8 zijn gebaseerd op de principes van artikel 39 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (13).
Artikel 8.6 voorziet de mogelijkheid voor de organen en diensten van beide Partijen overeenkomsten te sluiten met betrekking tot de praktische toepassing van het Verdrag en de nadere omschrijving van de wijze van samenwerking. Deze overeenkomsten, die het kader van het Verdrag niet mogen te buiten gaan, zullen voornamelijk betrekking hebben op het bepaalde in de artikelen 1 tot en met 5 en de praktische uitvoeringsmodaliteiten van de samenwerking en bijstand vastleggen.
In de onderlinge contacten tussen de Partijen zal het Belgisch centraal orgaan moeten nagaan voor welke materie de verschillende Poolse centrale organen kunnen aangesproken worden; het is immers niet zeker dat een bepaalde werkwijze voor de Poolse Dienst Bescherming van de Staat ook zal kunnen gelden voor de Bevelhebber van de Grenswacht.
Artikel 8.6 verleent hen de mogelijkheid dit binnen de perken van hun bevoegdheden en binnen het nationaal recht te regelen.
Artikel 9
Het artikel 9 bepaalt de graad van vertrouwelijkheid van de informatie die de Partijen elkaar moeten waarborgen. De daarbij gebruikte veiligheidsgraden, dit wil zeggen de mate waarin de informatie beveiligd wordt, moeten deze zijn die gebruikt worden door Interpol.
Artikel 9.2 behandelt het mogelijk probleem van het uitlekken van informatie die door één van de Partijen is meegedeeld. Wanneer dit zou gebeuren of wanneer het risico bestaat dat dit zou gebeuren, heeft de verantwoordelijke Partij de plicht de andere Partij zo vlug mogelijk in te lichten van het risico of het probleem en van de maatregelen die genomen werden of genomen zullen worden om het probleem op te lossen (14).
Het principe van de beperkte verspreiding van de vertrouwelijke gegevens, andere dan persoonsgegevens, wordt vastgelegd in dit artikel. Voor een doorzending van vertrouwelijke gegevens naar derden, dit wil zeggen diensten die niet onmiddellijk betrokken zijn bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, is de toelating van de verstrekkende Partij noodzakelijk.
Artikel 10
Het artikel 10 van het Verdrag voorziet in de mogelijkheid, voor elk van de verdragsluitende Partijen, verbindingsofficieren te detacheren naar de andere Partij en dit voor een bepaalde of onbepaalde duur.
Het concept van de verbindingsofficieren in het buitenland is een beslissing van de Ministerraad van 19 juni 1992. Het statuut en de werkingsregels werden opgenomen in een ministeriële omzendbrief van 4 oktober 1993 voor wat de Belgische vertegenwoordigers in het buitenland betreft en de omzendbrief van 20 september 1993 voor wat de vertegenwoordigers uit het buitenland betreft. Het principe wordt ook bevestigd in tal van internationale teksten (15).
De verbindingsofficieren hebben als belangrijkste doelstelling de samenwerking te bevorderen en te versnellen en dit door medewerking te verlenen aan de activiteiten die in het artikel 10 worden opgesomd. Zij zijn niet bevoegd om zelf acties te ondernemen, zij beschikken niet over uitvoeringsbevoegdheden. Zij beperken er zich toe hun raadgevende, informatie -en bijstandsopdracht te vervullen bij de bevoegde centrale organen zoals die in het Verdrag zijn opgenomen.
Het functioneel statuut van de verbindingsofficier is afhankelijk van het land van affectatie; dit is hetzij een diplomatiek statuut, hetzij een statuut dat dezelfde rechten en plichten, voorrechten en immuniteiten verleent als de leden van het diplomatiek korps.
Voor wat België betreft is de post in Warschau bezet. De verbindingsofficier is tevens geaccrediteerd voor Oekraïne en de Baltische Staten, Letland, Estland en Litouwen.Voor wat Polen betreft zijn er geen plannen bekend om een Pools ambtenaar in België te vestigen.
Artikel 14
Het gebruik van talen in de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag wordt geregeld volgens onderlinge afspraken.
2.4. Overleg (artikel 11, 12 en 13)
Artikel 11
Met het oog op het goed verloop, de bevordering en de evaluatie van de samenwerking voorzien de Partijen in de oprichting van een Gemengde Commissie die in principe op verzoek van één der Partijen vergadert, om beurt in één van beide landen.
De Gemengde Commissie kan zich ook over deelaspecten van het Verdrag buigen, en de uitwerking, opvolging en evaluatie toevertrouwen aan een of meer permanente of occasionele werkgroepen die voor rekening van de Gemengde Commissie een bepaald probleem onderzoeken.
Artikel 12
Wanneer er een geschil tussen de Staten zou ontstaan, met betrekking tot de interpretatie van het Verdrag of bepalingen van het Verdrag, of over de toepassing van het Verdrag, wordt dit geschil voorgelegd aan de Gemengde Commissie.
Met geschillen wordt hier bedoeld, meningsverschillen over de algemene uitlegging van het Verdrag en zijn artikelen, en niet over de concrete inhoud van individuele dossiers.
De standpunten van de Gemengde Commissie kunnen geen afbreuk doen aan de bepalingen van het internationale en nationale recht, noch aan de beslissingen van bevoegde gerechtelijke overheden die zich over een of ander feit hebben uitgesproken.
Geschillen die niet door de Gemengde Commissie zijn opgelost, worden langs diplomatieke weg geregeld.
Artikel 13
Wat betreft de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van dit Verdrag, voorziet artikel 13 dat elk van de Partijen zijn kosten draagt.
2.5. De bescherming van persoonsgegevens (artikel 15)
Artikel 15
De bepalingen van artikel 15 met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens zijn in grote lijnen geïnspireerd door de artikelen 126 tot 129 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen (16).
Het Ontwerpverdrag betreffende de politiesamenwerking tussen de regering van het Koninkrijk België en de regeringen van de landen van Midden- en Oost-Europa (17) is voorgelegd voor advies aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die een advies nr. 21/97 van 11 september 1997 heeft uitgebracht.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer had de wens uitgedrukt voor elk van de bilaterale verdragen een advies te kunnen uitbrengen. De Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken hebben geoordeeld dit niet te moeten doen, gelet op het feit dat in de meeste verdragen niet of weinig wordt afgeweken van de bepalingen met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens, zoals die in het Ontwerpverdrag zijn opgenomen (18). Uitzondering werd echter reeds gemaakt voor het ontwerpverdrag met het Koninkrijk Marokko met betrekking tot de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, gelet op het feit dat Marokko geen partij is bij de verdragen van de Raad van Europa.
De Partijen waarborgen, ieder voor wat hen betreft, dat de gegevens en de technische middelen die door de andere Partij worden verstrekt, beschermd worden, voor zover die gegevens in het licht van de eigen wetgeving, bescherming behoeven. Voor wat België betreft gelden in de eerste plaats de bepalingen inzake het beroepsgeheim (19) en het geheim van het onderzoek (20). Daarnaast zijn er de bepalingen van het Dataprotectieverdrag (21) en de Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa met betrekking tot het gebruik van persoonsgegevens in de politiesector (22).
Sedert kort dient de uitwisseling van persoonsgegevens eveneens in overeenstemming te zijn met artikel 22 van de Grondwet. Bovendien mogen persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen na doorgifte ervan naar een land buiten de Europese Gemeenschap, slechts worden doorgegeven indien dat land een passend beschermingsniveau waarborgt en de andere bepalingen van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden nageleefd (23).
Tenslotte kent België zijn eigen wet op de bescherming van persoonsgegevens (24) en zijn de politiediensten reeds enige tijd vertrouwd met de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen en het gebruik van de veiligheidsgraden die van toepassing zijn voor Interpol.
Polen heeft op 21 april 1999 het Dataprotectieverdrag ondertekend, maar nog niet geratificeerd (25). Polen beschikt sedert 1997 over een eigen wetgeving inzake bescherming van de verwerking van persoonsgegevens (26) gebaseerd op de richtlijnen van de Europese Unie (27) en sedert juni 2001 over een wet op het verzamelen en verwerken van criminele gegevens (28).
Een sluitende bescherming van persoonsgegevens in de internationale context zal echter slechts kunnen verkregen worden door ratificatie van het geciteerde verdrag van de Raad van Europa.
Artikel 15.3.1 herneemt het principe van de finaliteit en verwijst naar de artikelen 1 en 2 van dit Verdrag. De uitwisseling van persoonsgegevens heeft aldus tot doel bij te dragen aan het voorkomen en bestrijden van een aantal nader genoemde misdrijven en ter voorkoming van andere bedreigingen van de openbare orde en openbare veiligheid.
Alhoewel de begrippen « openbare orde en veiligheid » in dit Verdrag, noch elders worden gedefinieerd, wordt het legaliteitsprincipe toch gewaarborgd door de referentie naar het nationale recht en het aanwijzen van een controleautoriteit die op onafhankelijke wijze de verwerking en behandeling van persoonsgegevens zal nagaan. Ook de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen voorziet het uitwisselen van informatie ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid (29).
Het gelijkvormigheidbeginsel wordt eveneens gerespecteerd door deze bepalingen die voorzien dat de gegevens enkel mogen gebruikt worden voor de doeleinden door het Verdrag bepaald en voor de specifieke doeleinden door de Partijen bepaald onder de voorwaarden opgelegd.
Artikel 15.3.2 verstrengt de praktische uitvoering van de uitwisseling van gegevens, door de automatische uitwisseling te beperken tot de gerechtelijke autoriteiten en diensten die bevoegd zijn in het kader van dit Verdrag. Andere instanties lees niet-gerechtelijke overheden kunnen enkel toegang hebben tot de gegevens mits voorafgaande toestemming van de verstrekkende Partij. In ieder geval zullen de bevoegde diensten zich hiervoor moeten schikken naar de bepalingen van het nationaal recht, zoals de wet op het politieambt en de privacywet.
Artikel 15.3.3 voorziet het evenredigheidsprincipe. De tekst onderstreept de verantwoordelijkheid van beide partijen in het geval van onjuiste, -niet relevante of niet noodzakelijke informatie die toch zou uitgewisseld zijn. De verstrekkende Partij wordt verantwoordelijk om de ontvangende Partij op de hoogte te brengen van het probleem, terwijl deze laatste, eens op de hoogte gebracht, verantwoordelijk wordt aan het probleem te verhelpen door hetzij de informatie te corrigeren, hetzij de informatie te vernietigen. Hiermee wordt tevens voldaan aan het principe van de proportionaliteit (30).
Artikel 15.3.4 gaat verder in op het probleem van de onjuiste informatie. Het gebruik van onjuiste informatie ontslaat de verdragsluitende Partij niet van haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de betrokken personen; met andere woorden het ontvangen van onjuiste informatie is geen reden om zich tegenover de betrokken personen van zijn verantwoordelijkheid te ontdoen.
Artikel 15.3.5 verwijst naar de klassieke principes inzake de registratie van gegevensverwerking (ontvangst, uitwisseling, bewerking, uitwissing, vernietiging)
Artikel 15.3.6 behandelt het recht op individuele toegang tot de gegevens en voorziet voor de individuele betrokkene het recht zich te richten tot de Partij van zijn keuze. Het recht op toegang wordt evenwel gekoppeld aan de instemming van de andere Partij, een bepaling die door de Commissie werd gevraagd (31).
Deze bepaling is ingegeven door de praktische situatie waarin een Partij de rechtstreekse toegang in het nationale recht zou hebben voorzien, hetgeen voor Polen het geval is (32). Het is niet denkbeeldig dat bepaalde individuen van dit recht zouden misbruik maken om kennis te krijgen van gegevens over hun al dan niet illegale praktijken en op die manier de bestrijding van georganiseerde criminaliteit ernstig schaden. Wat België betreft is de rechtstreekse toegang tot dit soort gegevens niet mogelijk. De bepaling betekent echter ook niet dat Polen de toegang tot bepaalde gegevens, die via de Commissie tot bescherming van de privacy zouden kunnen worden geconsulteerd, zou kunnen beletten. De verwerking van persoonsgegevens is immers onderworpen aan het nationale recht en het Verdrag kan niet geïnterpreteerd worden op een wijze die het nationale recht niet toelaat. Het recht op individuele toegang wordt trouwens ook afgeleid uit de bepalingen van de punten 3 en 4.
Artikel 15.3.7 voorziet een facultatieve kennisgeving van het gebruik dat van de gegevens is gemaakt en de eventuele resultaten die door het gebruik behaald werden. Deze kennisgeving is geen automatisme en zal in de regel slechts op verzoek van één der Partijen worden uitgevoerd.
Artikel 15.4 voorziet de aanwijzing van een controleautoriteit, die overeenkomstig het nationale recht, op het grondgebied van de eigen Staat controle uitoefent op de verwerking van persoonsgegevens, de rechten van de betrokken personen te vrijwaren en de problemen inzake de toepassing en de uitlegging van het Verdrag te onderzoeken wat de verwerking van persoonsgegevens betreft.
Onverminderd de bevoegdheden van de wettelijke toezichtorganen (33) op het functioneren van de politiediensten op nationaal vlak, zal in België deze controle uitgeoefend worden door de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld door de Wet van 8 december 1992 (34)
Voor wat Polen betreft zal deze functie uitgeoefend worden door het in 1998 opgerichte « Bureau of the Inspector General for Personal Data Protection » (35).
Artikel 15.5 wil vermijden dat er misverstanden zouden ontstaan tussen de uitwisseling van gegevens door de genoemde overheden en diensten enerzijds en de uitwisseling van persoonsgegevens via een verbindingsofficier. In dit laatste geval gelden ook, zowel voor de verstrekkende als voor de ontvangende Partij, alle in dit Verdrag voorziene voorschriften. De rol van de verbindingsofficier in de uitwisseling van gegevens kan op generlei wijze de verantwoordelijkheid van de Partijen aantasten.
2.6. Het weigeren van bijstand (artikel 16)
Het artikel 16 voorziet twee uitzonderingen op de in artikel 2 en 3 opgenomen principes van bijstand.
De eerste uitzondering heeft een dwingend karakter en betreft de politieke of militaire misdrijven of indien zou blijken dat de bijstand strijdig is met, de op het grondgebied van de aangezochte staat, vigerende wettelijke bepalingen. De bepaling is zeker niet nieuw en komt vrijwel in alle uitleveringsverdragen en verdragen met betrekking tot rechtshulp voor.
De tweede uitzondering is facultatief en betreft de met politieke of militaire misdrijven samenhangende misdrijven, of wanneer de bijstand de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere essentiële belangen in gevaar kan brengen. Een situatie waarin een eventuele weigering geval per geval zal moeten bekeken worden.
2.7. Slotbepalingen (artikel 17 en 18 )
Artikel 17
Artikel 17 bevestigt het principe dat de bepalingen, de toepassing en het toezicht op de uitvoering van het Verdrag ondergeschikt zijn aan het nationale recht.
Artikel 18
Het Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Republiek Polen zal in werking treden na het vervullen van de juridische formaliteiten vereist voor de inwerkingtreding. In de praktijk betekent dat de instemming van het Parlement. Het voorliggend verdrag voorziet in een internationale politiesamenwerking die gebaseerd is op de bestaande nationale en internationale wetgeving en bevat geen bepalingen die daarvan afwijken.
Toch is een overeenkomst die verband houdt met politierecht en met strafprocedure, het best zo formeel mogelijk geregeld, inclusief de instemming van het Parlement.
Het is immers niet uitgesloten dat bepaalde onderzoeksdaden die in het kader van dit Verdrag worden gesteld, later worden aangevochten voor een vonnisgerecht, waarbij de vraag naar de juridische basis van de overeenkomst centraal zal staan.
De Partijen zijn gehouden elkaar schriftelijk en langs diplomatieke weg in te lichten over het vervullen van deze formaliteiten. Het Verdrag treedt dan in werking de eerste dag van de derde maand die volgt op de laatste van de bedoelde kennisgeving.
Tenslotte voorziet artikel 18 nog in een aantal bepalingen inzake de duur van het Verdrag in principe onbepaald, de opzegging via een bepaalde termijn van zes maanden en de voorwaarden tot wijziging van het Verdrag in onderling overleg.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Antoine DUQUESNE.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
Koning der Belgen,
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken, van Onze minister van Binnenlandse Zaken en van Onze minister van Justitie,
Onze minister van Buitenlandse Zaken, Onze minister van Binnenlandse Zaken en Onze minister van Justitie zijn ermee gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ondertekend te Brussel op 13 november 2000, zal volkomen gevolg hebben.
Gegeven te Brussel, 14 februari 2003.
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Louis MICHEL.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Antoine DUQUESNE.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit
DE REGERING VAN HET KONINKRIJK BELGIE
EN
DE REGERING VAN DE REPUBLIEK POLEN
Hierna genoemd de Verdragsluitende Partijen,
GELEID door de wens om de vriendschappelijke betrekkingen en de samenwerking tussen de Staten te bevorderen, en in het bijzonder door de gemeenschappelijke wil om de politiële samenwerking tussen beide Staten op te voeren;
BEZORGD door de verbreiding van de georganiseerde criminaliteit;
GELEID door de wens deze samenwerking op te voeren in het kader van de internationale overeenkomsten die beide Verdragsluitende Staten hebben ondertekend inzake de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ondertekend te Rome op 4 november 1950, alsmede van de bescherming van personen ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
OVERWEGENDE dat de criminaliteit een ernstige bedreiging vormt van de sociaal-economische vooruitgang van de Verdragsluitende Staten en dat de recente ontwikkelingen van de georganiseerde internationale criminaliteit de werking van hun instellingen in gevaar brengt;
OVERWEGENDE dat de strijd tegen mensenhandel en de bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen, inzonderheid bedoeld in artikel 34 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, daaronder begrepen de productie, de verkoop, het verdelen of andere vormen van handel in pornografisch materiaal waarbij kinderen zijn betrokken, een zorg is van de Verdragsluitende Partijen;
OVERWEGENDE dat de bestrijding van het illegaal reizen van en naar het grondgebied van de Staten en van illegale migratie, alsmede de uitbanning van georganiseerde netwerken die betrokken zijn bij de organisatie van dergelijke illegale handelingen één van de belangrijkste doelstellingen van de Verdragsluitende Staten vormen;
OVERWEGENDE dat de productie van en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals omschreven in het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen opgemaakt te New York op 30 maart 1961, in het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 21 februari 1971, alsmede in het Verdrag van de Verenigde Naties ondertekend te Wenen op 20 december 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, een gevaar zijn voor de gezondheid en de veiligheid van de burgers;
OVERWEGENDE dat de criminaliteit gerelateerd aan kernmateriaal en nucleair materiaal zoals omschreven in artikel 7, § 1, van het Verdrag inzake externe beveiliging van kernmateriaal ondertekend te Wenen en te New York op 3 maart 1980 eveneens een bedreiging is van de gezondheid en de veiligheid van de burgers;
OVERWEGENDE dat de strijd tegen met terrorisme verwante criminaliteit in de zin van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme ondertekend te Straatsburg op 27 januari 1977 noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de democratische waarden en instellingen;
OVERWEGENDE dat enkel het harmoniseren van de relevante wetgeving niet volstaat om de criminaliteit en het verschijnsel illegale migratie doeltreffend te bestrijden;
OVERWEGENDE dat bilaterale samenwerking, inzonderheid door uitwisseling en verwerking van gegevens, noodzakelijk is om die criminaliteitsverschijnselen te bestrijden en te voorkomen;
OVERWEGENDE dat de verwezenlijking van deze opdrachten een reeks gepaste maatregelen en een nauwe samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen vereist;
OP grond van het wederkerigheidsbeginsel en onder voorbehoud van de eerbiediging van de normen van internationaal recht en van het nationaal recht van de Verdragsluitende Partijen;
HEBBEN besloten dit Verdrag te sluiten :
Artikel 1
1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe samen te werken op het vlak van de voorkoming, de vervolging en de bestraffing van de georganiseerde criminaliteit, alsmede op dat van de voorkoming van bedreigingen van de openbare orde en veiligheid, inzonderheid betreffende :
1) de identificatie van de personen die strafbare feiten hebben gepleegd;
2) de opsporing van de personen die ervan worden verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd;
3) de opsporing van voorwerpen die voortkomen uit strafbare feiten.
2. De samenwerking bedoeld in paragraaf 1 betreft inzonderheid de voorkoming, de vervolging en de bestraffing van de volgende strafbare feiten :
1) misdrijven tegen het leven en de gezondheid van personen, inzonderheid ernstig lichamelijk letsel;
2) vrijheidsberoving, gijzeling of opsluiting;
3) strafbare feiten die verband houden met de productie van en de sluikhandel in verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren;
4) proxenetisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van minderjarigen en in het bijzonder de productie met het oog op de verdeling en de verdeling van pornografisch materiaal waarbij minderjarigen zijn betrokken;
5) illegale migratie en mensenhandel;
6) chantage, daaronder begrepen afpersing van geld met het oog op bescherming;
7) illegale productie en diefstal van, illegale handel in kernmateriaal, radioactief materiaal en andere gevaarlijke stoffen, alsmede het onverantwoord gebruik ervan en de bedreiging op onverantwoorde wijze gebruik ervan te maken;
8) diefstal van en sluikhandel in wapens, munitie en springstoffen, alsmede de illegale productie ervan;
9) vervalsing of vervorming van betaalmiddelen en waardepapieren, het gebruik en het in omloop brengen ervan;
10) vervalsing of vervorming van officiële documenten, het gebruik en het in omloop brengen ervan;
11) illegale economische bedrijvigheid;
12) witwassen van opbrengsten van strafbare feiten;
13) corruptie;
14) diefstal van, sluikhandel en illegale handel in kunstwerken, historische voorwerpen en andere goederen die tot het cultureel patrimonium behoren;
15) diefstal van, sluikhandel in en illegale handel in motorvoertuigen;
16) strafbare feiten van gemeen recht die verband houden met terroristische activiteiten.
Artikel 2
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich tevens ertoe samen te werken op het vlak van :
1) opsporing van personen die zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf die hen wegens het plegen van strafbare feiten is opgelegd;
2) opsporing van verdwenen personen, identificatie van niet-geïdentificeerde personen, controle van de identiteit van de personen van wie de identiteit dubieus is, alsmede identificatie van de onbekende lijken.
Artikel 3
1. De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand en voorzien in een nauwe en voortdurende samenwerking. Zij wisselen inzonderheid alle relevante en belangrijke gegevens uit.
2. De samenwerking kan de vorm aannemen van permanent contact via verbindingsofficieren die daartoe in iedere Verdragsluitende Partij moeten worden aangewezen.
Artikel 4
Teneinde de samenwerking bedoeld in de artikelen 1 tot 3 te verwezenlijken,
1) Gaan de Verdragsluitende Partijen over tot de uitwisseling van :
a) gegevens en materiaal betreffende :
de personen die zijn betrokken bij de strafbare feiten bedoeld in artikel 1;
de structuur, de modus operandi en het resultaat van de criminele analyses van de criminele organisaties;
de resultaten van de ingestelde vorderingen of rechtsplegingen;
de resultaten van onderzoek en van criminalistiek deskundigenonderzoek;
de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot de strafbare feiten;
b) vergelijkende monsters gebruikt in het kader van criminalistiek deskundigenonderzoek;
c) modellen van de documenten waarin toestemming wordt verleend om de grens te overschrijden, de afdrukken van de stempels die op deze documenten worden aangebracht, alsmede de diverse categorieën van visa en de symbolen ervan;
2) voorzien de Verdragsluitende Partijen zonder onverantwoorde vertraging in een passend politieel optreden dat is gecoördineerd en waarover overleg is gevoerd, voorzover dergelijk optreden of de uitvoering ervan krachtens het nationaal recht van de aangezochte Verdragsluitende Partij niet is voorbehouden aan de gerechtelijke autoriteiten, dan wel de uitvoering ervan niet de toepassing van dwangmaatregelen door de aangezochte Verdragsluitende Partij onderstelt;
3) verlenen de Verdragsluitende Partijen elkaar onderlinge hulp bij de voorbereiding van de tenuitvoerlegging van de verzoeken om rechtshulp overeenkomstig de internationale juridische instrumenten die terzake van toepassing zijn.
Artikel 5
1. Op het vlak van de wetenschappelijke samenwerking en van de technische bijstand gaan de Verdragsluitende Partijen over tot de uitwisseling van :
1) ervaringen en gegevens, in het bijzonder inzake de methoden tot bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en van nieuwe vormen van criminele activiteiten;
2) resultaten van wetenschappelijk onderzoek inzake criminalistiek, criminologie en rechtswetenschappen welke verband houden met de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit;
3) gegevens inzake voorwerpen gerelateerd aan de strafbare feiten;
4) deskundigen met het oog op bijscholing, in het bijzonder in het kader van de criminalistische technieken en de wijzen tot bestrijding van de criminaliteit, van professionele publicaties en van andere publicaties die verband houden met dit Verdrag.
2. Binnen de grenzen bepaald in paragraaf 1 stellen de Verdragsluitende Partijen de technische uitrusting bestemd voor de bestrijding van de criminaliteit ter beschikking van de organen belast met de samenwerking bedoeld in dit Verdrag.
3. Het technisch materiaal dat door de ene Verdragsluitende Partij ter beschikking wordt gesteld van de andere Verdragsluitende Partij kan enkel met de instemming van de Partij die het bezorgt ter beschikking van derden worden gesteld.
4. De wijze waarop technische bijstand en bijscholing wordt verleend, wordt omschreven in overeenkomsten tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.
Artikel 6
In bijzondere gevallen kan iedere Verdragsluitende Partij zonder een daartoe strekkend verzoek aan de andere Verdragsluitende Partij gegevens meedelen die voor laatstgenoemde belangrijk kunnen zijn met het oog op bijstand ter voorkoming en bestraffing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van dit Verdrag of ter voorkoming van bedreigingen van de openbare orde en veiligheid.
Artikel 7
Ieder gegeven verstrekt door de aangezochte Verdragsluitende Partij kan door de verzoekende Verdragsluitende Partij enkel als bewijs in rechte worden aangewend nadat krachtens de terzake geldende internationale juridische instrumenten een verzoek om rechtshulp in strafzaken is ingediend.
Artikel 8
1. Alle contacten die strekken tot de toepassing van dit Verdrag geschieden rechtstreeks tussen de bevoegde centrale organen van de Verdragsluitende Partijen. De verzoeken om bijstand en de antwoorden daarop, alsmede alle andere gegevens worden schriftelijk toegezonden.
Deze organen zijn :
Voor de Republiek Polen :
a) de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken;
b) het Hoofd van de Dienst Bescherming van de Staat;
c) de Bevelhebber van de Politie;
d) de Bevelhebber van de Grenswacht;
Voor het Koninkrijk België :
De afdeling Internationale Politiële Samenwerking van de Algemene Politiesteundienst.
2. Indien de formele procedure bij de centrale organen bedoeld in paragraaf 1 het optreden ter voorkoming en bestraffing van de strafbare feiten in het gedrang kan brengen, kunnen de bevoegde diensten van de verzoekende Verdragsluitende Partij het, bij wijze van uitzondering en enkel in dringende gevallen, rechtstreeks wenden tot de bevoegde diensten van de aangezochte Verdragsluitende Partij. Deze diensten kunnen daarop rechtstreeks antwoorden.
3. In de uitzonderlijke gevallen bedoeld in paragraaf twee, moet de bevoegde verzoekende dienst het bevoegde centrale orgaan van zijn eigen Staat zo spoedig mogelijk in kennis stellen van het rechtstreekse verzoek en de dringende aard ervan met redenen omkleden.
4. De in paragraaf 2 bedoelde uitwisseling van gegevens kan mondeling geschieden, op voorwaarde dat zij nadien zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt bevestigd.
5. De Verdragsluitende Partijen delen elkaar langs diplomatieke weg de wijzigingen mee inzake de bevoegdheden of de benaming van de centrale organen bedoeld in paragraaf 1.
6. Onverminderd de bevoegdheden van de gemengde commissie ingesteld krachtens artikel 11 van dit Verdrag, kunnen de organen en diensten die een in dit Verdrag bedoelde taak uitvoeren of functie vervullen, in het kader van hun bevoegdheden en overeenkomstig hun nationaal recht, overeenkomsten sluiten houdende toepassing van dit Verdrag en strekkende tot nadere omschrijving van de wijze van samenwerking.
Artikel 9
1. In het kader van de uitwisseling van gegevens tussen de Verdragsluitende Partijen moet iedere Verdragsluitende Partij dezelfde graad van vertrouwelijkheid waarborgen die de andere Verdragsluitende Partij aan de overgezonden gegevens heeft toegekend. De Verdragsluitende Partijen stellen elkaar in kennis van de graden van vertrouwelijkheid die op nationaal vlak gelden en van de maatregelen die zijn genomen om de inachtneming ervan te waarborgen.
2. Indien door één van de Verdragsluitende Staten als vertrouwelijk aangemerkte gegevens worden onthuld of indien het risico daarop bestaat, stelt de andere Verdragsluitende Partij eerstgenoemde Partij onverwijld in kennis van dat feit, van de omstandigheden en de gevolgen ervan, alsmede van de stappen die zij heeft genomen om dergelijke gevallen in de toekomst te voorkomen.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, mogen als vertrouwelijk aangemerkte gegevens die met toepassing van dit Verdrag aan één van de Verdragsluitende Partijen zijn meegedeeld, door de ontvangende Verdragsluitende Partij enkel aan derden worden overgezonden met de instemming van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partij die de informatie heeft verstrekt.
Artikel 10
1. De Verdragsluitende Partijen kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur verbindingsofficieren detâcheren van een Verdragsluitende Partij aan een andere Verdragsluitende Partij.
2. De detachering van verbindingsofficieren strekt ertoe de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te bevorderen en te bespoedigen, inzonderheid door de bijstand te vergemakkelijken op het stuk van :
1) de gegevensuitwisseling met het oog op de voorkoming en de bestrijding van de criminaliteit;
2) de tenuitvoerlegging van de verzoeken om rechtshulp in strafzaken, overeenkomstig de terzake geldende internationale juridische instrumenten;
3) de organisatie en de technische voorbereiding van het optreden van de organen bevoegd inzake de aangelegenheden bedoeld in dit Verdrag.
3. De taak van de verbindingsofficieren bestaat erin advies en bijstand te verlenen. Zij zijn niet bevoegd om autonoom politiemaatregelen uit te voeren. Zij verstrekken gegevens en voeren hun taken uit in het kader van de onderrichtingen die hen worden gegeven door de Verdragsluitende Partij van herkomst en door de Verdragsluitende Partij bij welke zij zijn gedetâcheerd. Zij brengen op regelmatige tijdstippen verslag uit bij de bevoegde centrale organen van de Verdragsluitende Partij bij welke zij zijn gedetâcheerd.
4. De Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat de verbindingsofficieren van een Verdragsluitende Partij gedetacheerd bij derde Staten eveneens de belangen van de andere Verdragsluitende Staat vertegenwoordigen.
Artikel 11
1. De Verdragsluitende Partijen voorzien in de oprichting van een gemengde commissie samengesteld uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen. De Verdragsluitende Partijen stellen elkaar in kennis van de samenstelling van de gemengde commissie.
2. De gemengde commissie is ermee belast de krachtens dit Verdrag geregelde samenwerking te vergemakkelijken en te evalueren. Zij vergadert op verzoek van één van beide Partijen. De vergaderingen hebben beurtelings plaats in België en in Polen.
3. In geval van noodzaak kan de gemengde commissie permanente of occasionele gespecialiseerde werkgroepen oprichten.
Artikel 12
1. De gemengde commissie ingesteld krachtens artikel 11 vergemakkelijkt de regeling van de problemen die zouden kunnen ontstaan inzake de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag.
2. Ieder geschil dat niet wordt opgelost door de gemengde commissie wordt opgelost langs diplomatieke weg.
Artikel 13
Behoudens andersluidende bepalingen overeengekomen tussen de Verdragsluitende Partijen, staat iedere Verdragsluitende Partij in voor de kosten verbonden aan door haar ondernomen acties in toepassing van dit Verdrag.
Artikel 14
1. De verzoeken en de uitwisseling van gegevens worden aan de andere Verdragsluitende Partij overgezonden in één van de officiële talen van de Verdragsluitende Partijen en gaan in voorkomend geval, op verzoek, vergezeld van een vertaling in een werktaal die de Verdragsluitende Partijen gemeenschappelijk hebben bepaald.
2. De verzoeken en de uitwisseling van gegevens kunnen ook worden overgezonden in één van de werktalen van de Internationale Organisatie voor Criminele Politie.
Artikel 15
1. De verwerking van persoonsgegevens die verband houdt met dit Verdrag is onderworpen aan het respectievelijke nationale recht van de Verdragsluitende Staten.
2. Wat de verwerking van persoonsgegevens krachtens dit Verdrag betreft, verbinden de Verdragsluitende Staten zich ertoe een beschermingsniveau van de persoonsgegevens te realiseren dat overeenkomt met het bepaalde in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 inzake de bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en in de Aanbeveling A (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa die ertoe strekt het gebruik van persoonsgegevens voor politiële doeleinden te regelen.
3. Wat de verwerking van de krachtens dit Verdrag verstrekte persoonsgegevens betreft, moeten de Verdragsluitende Partijen de volgende regels naleven :
1) de ontvangende Verdragsluitende Partij mag de gegevens enkel gebruiken voor de doeleinden waarvoor zij krachtens het Verdrag worden verstrekt en onder de voorwaarden opgelegd door de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt;
2) de gegevens mogen enkel worden gebruikt door de gerechtelijke autoriteiten en de organen en diensten die een taak uitvoeren of een functie bekleden in het kader van de doeleinden omschreven in dit Verdrag; de mededeling van deze gegevens aan andere instanties kan enkel plaatshebben na de voorafgaande instemming van de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt;
3) de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt moet erop toezien dat zij juist en volledig zijn. Zij moet tevens waarborgen dat deze gegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is. Indien zij zelf of ten gevolge van een vraag van de betrokken persoon vaststelt dat de gegevens onjuist waren of niet hadden mogen worden verstrekt, stelt zij de ontvangende Verdragsluitende Partij daarvan onverwijld in kennis. Laatstgenoemde moet de gegevens verbeteren of vernietigen;
4) een Verdragsluitende Partij mag niet aanvoeren dat de andere Verdragsluitende Partij onjuiste gegevens heeft verstrekt om zich ten opzichte van de benadeelde persoon te onttrekken aan de aansprakelijkheid die haar krachtens het nationaal recht is opgelegd. Indien de ontvangende Verdragsluitende Partij tot herstel is gehouden door het gebruik van onjuiste verstrekte gegevens, moet de Verdragsluitende Partij die de gegevens heeft verstrekt de bedragen die de ontvangende Verdragsluitende Partij tot herstel heeft uitgekeerd integraal terugbetalen;
5) het verstrekken en de ontvangst van persoonsgegevens moeten worden geregistreerd;
6) de toegang tot de gegevens ressorteert onder het nationale recht van de Verdragsluitende Partij tot welke de betrokken persoon zijn verzoek richt. De Verdragsluitende Partij waarvan de gegevens niet afkomstig zijn mag informatie betreffende deze gegevens enkel meedelen met de voorafgaande instemming van de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt;
7) de ontvangende Verdragsluitende Partij stelt de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt desgewenst in kennis van het gebruik dat ervan is gemaakt en van de resultaten behaald op grond van de gegevens.
4. Iedere Verdragsluitende Partij wijst een controleautoriteit aan die overeenkomstig het nationaal recht op haar grondgebied onafhankelijke controle uitoefent op de verwerking van persoonsgegevens op grond van dit Verdrag en nagaat of bedoelde verwerkingen de rechten van de betrokken persoon niet schenden. Deze controleautoriteiten zijn tevens bevoegd om problemen te onderzoeken inzake de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag op het stuk van de verwerking van persoonsgegevens. Deze controleautoriteiten kunnen overeenkomen samen te werken in het kader van de opdrachten die hen krachtens dit Verdrag worden opgelegd.
5. Ingeval persoonsgegevens worden verstrekt door toedoen van een verbindingsofficier bedoeld in artikel 10, is het bepaalde in dit artikel eveneens van toepassing.
Artikel 16
1. Iedere Verdragsluitende Partij weigert bijstand in geval van strafbare feiten die zij beschouwt als politieke of militaire delicten of als blijkt dat deze bijstand strijdig is met het nationale recht van deze Verdragsluitende Partij.
2. Iedere Verdragsluitende Partij kan bijstand weigeren, dan wel geheel of gedeeltelijk aan voorwaarden onderwerpen in geval van misdrijven die samenhangen met door haar als politieke of militaire misdrijven beschouwde strafbare feiten of wanneer het verlenen van bijstand de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere essentiële belangen van de Staat zou kunnen bedreigen.
Artikel 17
Het toezicht op de uitvoering van dit Verdrag geschiedt met toepassing van het nationaal recht van iedere Verdragsluitende Partij.
Artikel 18
1. Deze Overeenkomst wordt goedgekeurd overeenkomstig het nationaal recht van de Verdragsluitende Partijen. Deze goedkeuring zal worden uitgewisseld via nota's die langs diplomatieke weg worden gezonden. Het Verdrag treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op de datum van de nota die het laatst is overgezonden.
2. Dit verdrag wordt gesloten voor onbeperkte duur. Iedere Verdragsluitende Partij kan het Verdrag opzeggen door middel van een kennisgeving die langs diplomatieke weg aan de andere Verdragsluitende Partij wordt gericht. In dat geval treedt de opzegging in werking zes maanden na de datum van deze kennisgeving.
TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
GEDAAN te Brussel, op 13 november 2000, in twee oorspronkelijke exemplaren, ieder in de Nederlandse, de Franse en de Poolse taal, de drie teksten zijnde gelijkelijk authentiek.
Voor de Regering van het Koninkrijk België :
De minister van Binnenlandse Zaken,
Antoine DUQUESNE.
De minister van Justitie,
Marc VERWILGHEN.
Voor de Regering van de Republiek Polen :
De minister van Binnenlandse Zaken,
Marek BIERNACKI.
Voorontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ondertekend te Brussel op 13 november 2000.
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ondertekend te Brussel op 13 november 2000, zal volkomen gevolg hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 30 mei 2002 door de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een voorontwerp van wet « houdende instemming met het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk Belgie en de Regering van de Republiek Polen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, ondertekend te Brussel op 13 november 2000 », heeft op 13 januari 2003 het volgende advies gegeven :
Bij het ontwerp zijn geen opmerkingen te maken.
De kamer was samengesteld uit :
De heer Y. KREINS, kamervoorzitter;
De heer J. JAUMOTTE en mevrouw M. BAGUET, staatsraden;
De heren J. van COMPERNOLLE en B. GLANSDORFF, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw B. VIGNERON, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer L. DETROUX, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door de heer Y. CHAUFFOUREAUX, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. JAUMOTTE.
| De griffier, | De voorzitter, |
| B. VIGNERON. | Y. KREINS. |
(1) Stuk Senaat, 1995-1996, nr. 1-394/1.
(2) Landen van Midden- en Oost-Europa of L.M.O.E.'s.
(3) Stuk Senaat, 1996-1997, nr. 1-686/1.
(4) Europese Unie, Uitbreiding, MD 821/01, 22 oktober 2001.
(5) De relatie tussen België en Polen wordt beheerst door een aantal multilaterale verdragen tot stand gekomen in de schoot van de Raad van Europa : het Europees Uitleveringsverdrag van 1957 en de aanvullende protocollen; het Europees Rechtshulpverdrag van 1959 en aanvullend protocol; het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. Tussen België en Polen bestaat nog altijd een bilaterale overeenkomst van 13 mei 1931 betreffende de uitlevering en wederzijdse rechtshulp in strafzaken.
(6) Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de aanvullende protocollen, het Europees Verdrag aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken en het aanvullend protocol, het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, het Europees folterverdrag, en andere. Op datum van 23 oktober 2001 heeft de Republiek Polen 59 verdragen ondertekend en geratificeerd ( http ://conventions.coe.int).
(7) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, Titel III Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 Politiële samenwerking, artikel 39, 46 en 47; Titel VI Bescherming van persoonsgegevens, artikel 126 130.
(8) Europese Unie, Uitbreiding, MD 821/01, 22 oktober 2001.
(9) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, Titel III Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 Politiële samenwerking, artikel 39.
(10) College van procureurs-generaal, Gezamenlijke omzendbrief van de minister van Justitie en het College van procureurs-generaal betreffende de internationale politiesamenwerking met een gerechtelijke finaliteit, 14 februari 2000.
(11) Stuk Senaat, 1996-1997, nr. 1-686/1, 19.
(12) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, Titel III Politie en Veiligheid, Hoofdstuk 1 Politiële samenwerking, artikel 39.
(13) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, o.c..
(14) De tekst van artikel 9.2 geeft een niet correcte vertaling weer van de oorspronkelijke Franse tekst. Deze zegt immers : « Dans le cas de révélation ou de risques de révélation d'informations classifiées transmises par une des Parties Contractantes, l'autre Partie Contractante informera immédiatement celle-ci de ce fait, de ses circonstances et conséquences ainsi que des actions entreprises en vue d'éviter la survenance de tels cas à l'avenir. » In de Nederlandse tekst komt het woord « transmises » niet voor, waardoor de indruk ontstaat dat een Partij wiens eigen informatie wordt gelekt, door de andere Partij daarop attent gemaakt moet worden.
(15) De overeenkomst van de Verenigde Naties met betrekking tot de handel in verdovende middelen van 19 december 1988; de principiële beslissingen van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de TREVI-groep van juni 1991; de Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, artikel 47, goedgekeurd door de wet van 18 maart 1993.
(16) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, o.c., Titel VI Bescherming van persoonsgegevens.
(17) Stuk Senaat, 1996-1997, nr. 1-686/1.
(18) Ibidem, Bijlage I.
(19) Strafwetboek, artikel 458.
(20) Wetboek van strafvordering, artikel 28quinquies.
(21) Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van het individu in verband met de geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens.
(22) Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van ministers van de Raad van Europa tot regeling van het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied.
(23) Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, artikel 21.1.
(24) Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
(25) De ratificatie wordt verwacht tegen het einde van het jaar 2001.
(26) Personal Data Protection Act, Dziennik Ustaw, nr. 133, pos. 883.
(27) Directive 95/46/EC of the European Parliament and European Council of 24 october 1995.
(28) Act on collecting, processing and communicating criminal information, June 6th 2001. Luidens de tekst van deze wet is : « The collected, processed and communicated criminal information subject to protection as set forth in the Act of 22 January 1999 on protection of secret information. » Verder wordt gemeld dat : « The collection, processing and communication of criminal information is subject to the supervision of the General Inspector for the Protection of Personal Data. » Tenslotte wordt het doorgeven van informatie naar andere landen beheerst door de bepaling : « Communication of criminal information is subject to the consent of the obligated subject which has communicated the information or the result of a ratified international agreement. »
(29) Overeenkomst ter uitvoering van het Verdrag van Schengen, o.c., artikel 46.
(30) Advies 21/97, o.c., 5.
(31) Advies 21/97, o.c., 6.
(32) Personal Data Protection Act, o.c., art. 32-35.
(33) Het Vast Comité van toezicht op de politiediensten, en in de toekomst, de Algemene Inspectie van de federale en de lokale politie en het controleorgaan voorzien door artikel 44/7 van de wet op het politieambt.
(34) Wet van 8 december 1992, o.c.
(35) Europese Unie, Uitbreiding, MD 821/01, 22 oktober 2001.