2-268/1

2-268/1

Belgische Senaat

ZITTING 2000-2001

26 APRIL 2001


Beleidsintenties van de regering inzake gelijke kansen voor het begrotingsjaar 2001


ADVIES VAN HET ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN


VERSLAG

NAMENS HET ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN UITGEBRACHT DOOR DE DAMES KESTELIJN-SIERENS, WILLAME-BOONEN EN KAÇAR


I. INLEIDING

Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen heeft op 5 december 2000 mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, bevoegd voor gelijke kansen, uitgenodigd om haar algemene beleidsintenties inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen voor het begrotingsjaar 2001 te komen toelichten.

Uit haar uiteenzetting bleek dat het gelijkekansenbeleid haar departement ook overstijgt. Het Adviescomité besloot daarom twee andere regeringsleden uit te nodigen voor een uiteenzetting over de toepassing van het gelijkekansenbeleid in de domeinen waarvoor zij bevoegd zijn. Daarvoor kwamen twee departementen in aanmerking waarin momenteel hervormingen aan de gang zijn, te weten de politiehervorming en de hervorming van de federale openbare besturen.

Op 12 december 2000 is een vergegenwoordiger van de heer Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken, komen uitleggen welke plaats er in de politiehervorming is weggelegd voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen.

Op 9 januari 2001 heeft een vertegenwoordiger van de heer Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, samen met het Adviescomité deelgenomen aan een gedachtewisseling over de plaats van het gelijkekansenbeleid voor vrouwen en mannen binnen het zogenaamde « Copernicusplan », het moderniseringsplan voor de openbare besturen.

Ook een vertegenwoordiger van de heer Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, woonde deze gedachtewisseling bij en antwoordde er op vragen betreffende de financiering van de renovatie- en uitbreidingswerken in het vrouwenhuis « Amazone ».

Tijdens de vergaderingen van 13 en 20 februari, 13 en 20 maart, en 24 april 2001 werd een voorstel van advies besproken dat op 26 april 2001 werd aangenomen.


II. HOORZITTINGEN EN AANSLUITENDE GEDACHTEWISSELINGEN

1. ALGEMEEN BELEID INZAKE GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN VOOR HET BEGROTINGSJAAR 2001 (1)

1.1. Uiteenzetting door mevrouw Riss en mevrouw Glineur, vertegenwoordigsters van mevrouw Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, bevoegd voor Gelijke Kansen

Mevrouw Riss, vertegenwoordigster van de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, bevoegd voor Gelijke Kansen, benadrukt meteen dat de begrotingsverklaring overeenstemt met de eerder aangegane verbintenissen, in het bijzonder wat betreft de mainstreaming in het huidige gelijkekansenbeleid. In het verslag, dat is opgesteld conform de wet van 6 maart 1996 strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie die van 4 tot 14 september 1995 in Peking heeft plaatsgehad, verbindt de regering zich ertoe elk departement een strategische doelstelling op te leggen en de personen aan te wijzen die zullen toezien op de verwezenlijking van deze doelstellingen. Het eerste deel van de algemene beleidsnota van de minister voor het Gelijkekansenbeleid gaat precies over het opstarten van de mainstreaming, en meer in het bijzonder over de oprichting van een cel die de regering moet helpen de beloftes na te komen. Deze cel zal mensen opleiden, doelstellingen formuleren en de genomen maatregelen evalueren. Zij zal bestaan uit personen uit de universitaire wereld die beslagen zijn in deze materie met name in het kader van de studie over de weerslag op de emancipatie in het Vlaamse Gewest.

Als gevolg van de mainstreaming is er geen overlapping tussen het budget voor de financiering van het gelijkekansenbeleid en het budget van het departement « Gelijke Kansen ». Overal in de regeringsverklaring zijn beloftes te vinden die een impact hebben op de gelijke kansen. Zo is er bijvoorbeeld het Nationaal actieprogramma voor de bestrijding van de armoede. Daarnaast is er ook het Copernicusplan, het plan voor de hervorming van de federale administratie, dat op vraag van de minister voor het Gelijkekansenbeleid voorziet in de oprichting van een cel voor gelijke kansen binnen de horizontale overheidsdienst « Personeel en organisatie ». Deze cel zal erop toezien dat het gelijkekansenprincipe in het nieuwe human resourcesbeleid gerespecteerd wordt.

De nota vermeldt ook de noodzaak van een plan om het geweld te bestrijden. Tijdens de eerste vergadering van de Interministeriële Conferentie over de gelijkheid van de kansen hebben de ministers besloten de inspanningen te bundelen die zij inzake gelijke kansen doen op de verschillende machtsniveaus. Zij hebben eveneens besloten een samenhangend plan te ontwerpen om België in staat te stellen zijn internationale engagementen na te komen.

Mevrouw Riss wijst ook op de beslissing om structurele financiële steun toe te kennen aan de organisaties die de vrouwen-NGO's overkoepelen (Nederlandstalige Vrouwenraad en Conseil des femmes francophones).

In verband met vrouwen en werkgelegenheid worden tal van maatregelen genomen. De inspanningen die momenteel geleverd worden, zullen worden voortgezet binnen de programmering van het Europees sociaal fonds 2000-2006. Voor de allereerste keer zal een speciale cel binnen het voortgangscomité dat de projecten erkent, toezien op het respect van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen binnen de verschillende projecten. Na een openbare oproep zijn er tal van projecten betreffende gelijke kansen ingediend.

Verschillende initiatieven moeten bijdragen tot een evenwicht tussen werk en gezinsleven : mogelijkheid tot arbeidstijdvermindering, tijdspaarrekening, tijdkrediet, enz. De regering zal zich baseren op verschillende mogelijke denkpistes om deze kwestie met de sociale partners af te ronden.

Tijdens de Interministeriële Conferentie over de gelijkheid van de kansen is ook het probleem van de kinderopvang besproken. Een werkgroep zal zich verdiepen in de algemene filosofie van deze materie en de samenwerkingsmogelijkheden tussen de verschillende bevoegde organen onderzoeken.

Op het niveau van de ministeriële kabinetten zal een werkgroep nagaan welke formele of feitelijke ongelijkheden er bestaan in het sociaal en het fiscaal recht. De regering legt momenteel de laatste hand aan een standpunt over het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoot.

De krachtlijnen van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie zijn vastgelegd. Zij omvatten de lancering van een programma « gelijkheid » binnen het proces van Barcelona, samen met de Europese Middellandse-Zeelanden. De bedoeling is de Commissie zover te krijgen dat zij een programma opstart specifiek voor vrouwen. Er moet ook worden nagegaan of het idee om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen uit te breiden naar alle Euromet-projecten niet kan worden overgenomen op het niveau van de Raad van ministers van Algemene Zaken.

Op Europees niveau worden er nog steeds indicatoren ontwikkeld. Finland was de drijvende kracht achter de indicatoren voor de vertegenwoordiging van vrouwen in de politieke beslissingsorganen. Nadien heeft het Franse voorzitterschap indicatoren voorgesteld betreffende het evenwicht tussen het gezinsleven en het beroepsleven. De minister voor het Gelijkekansenbeleid is met het huidige Zweedse voorzitterschap overeengekomen dat dit jaar de indicatoren voor loonongelijkheid aan bod komen. Dit hangt samen met de inspanningen op het vlak van functieclassificatie.

De minister voor het Gelijkekansenbeleid hecht ook veel belang aan de omzetting van richtlijn 76/207/EEG inzake de gelijkheid van behandeling wat betreft de toegang tot de werkgelegenheid, tot de opleiding, tot de professionele promotie en de arbeidsvoorwaarden. Aan de Nationale Arbeidsraad en aan de Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen werd om advies gevraagd.

Ten slotte zal de minister voor het Gelijkekansenbeleid een werkgelegenheidsprogramma lanceren dat zich toespitst op de kwaliteit van de werkgelegenheid. Zij zal nauwlettend toezien op het respect voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen binnen alle voorgestelde initiatieven. Het principe van mainstreaming moet worden toegepast tijdens twee andere Raden dan de Raad sociale aangelegenheden. Naast de Raad algemene zaken moet hiervoor nog een andere raad worden gekozen.

1.2. Gedachtewisseling

Een lid wenst te weten of er vooruitgang is geboekt in het netelige debat over de « herintreedsters ». Kan deze categorie personen opgenomen worden in het werkloosheidssysteem zonder evenwel een werkloosheidsuitkering te krijgen ? Op die manier heeft de werkgever recht op de voordelen die aan het werklozenstatuut verbonden zijn als hij een persoon uit deze categorie aanwerft.

Spreekster wil eveneens weten of er al vorderingen zijn gemaakt betreffende het statuut van de « gardiennes encadrées » (gastmoeders die erkend zijn door het Office de la naissance et de l'enfant, instelling van de Franse Gemeenschap).

Het verheugt een lid dat de Nederlandstalige Vrouwenraad en de Conseil des femmes francophones voor de allereerste keer in het budget zijn opgenomen en subsidies krijgen. Dit is immers een grote stap vooruit in de structuur van het budget voor het gelijkekansenbeleid. Het is uiteraard jammer dat het bedrag niet hoger ligt, maar wellicht zal die verhoging er geleidelijk aan komen, afhankelijk van de manier waarop de Nationale Vrouwenraad dit budget zal besteden. Spreekster stelt ook vast dat het budget nagenoeg ongewijzigd is. Zij vraagt zich bovendien af wat er moet gebeuren met het vrouwenhuis

« Amazone », dat niet meer geld krijgt dan vroeger : hoe staat het met de plannen voor een Amazone bis ?

Het leeuwendeel van het budget van 70 miljoen zal gebruikt worden om de gelijke kansen voor vrouwen en mannen in het algemeen te garanderen. Kan de verdeling van dit bedrag verduidelijkt worden : welk bedrag is bestemd voor wetenschappelijk onderzoek, welk bedrag voor campagnes, welk bedrag voor acties, enz. ? Het budget voor 2001 bedraagt trouwens 70 miljoen, terwijl het in 1999 nog om 77 miljoen ging. De piek die het budget in 1999 maakte, is dus niet meer gehaald. Spreekster betreurt dat het budget voor gelijke kansen niet minimum 100 miljoen bedraagt, wat naar federale maatstaf toch nog altijd een klein budget is.

Uit de beleidsnota blijkt dat de toelage voor de vrouwenorganisaties gekoppeld wordt aan het beleid inzake de strijd tegen geweld. Betekent dit dat de toelage bedoeld is om een actie tegen geweld te financieren, of is zij ruimer bedoeld ?

Een lid is licht teleurgesteld dat het budget voor het gelijkekansenbeleid slechts een klein deel uitmaakt van het totale federale budget. De nadruk wordt gelegd op mainstreaming. Hoe zullen dan de beleidsopties met betrekking tot gelijke kansen van de verschillende ministeriële departementen op elkaar afgestemd worden ? Wordt hiervoor een ad hoc structuur opgericht, en zal de minister voor het Gelijkekansenbeleid hiertoe het initiatief nemen ? Hoe wil de minister, meer in het algemeen, voor het Gelijkekansenbeleid in het kader van de mainstreaming mannen aansporen om deel te nemen ? Hoe zal de minister met andere woorden een actief beleid voeren waarbij zij rekening houdt met de genderdimensie ?

Net als de vorige spreekster, is het lid verheugd over de financiële steun voor de vrouwenraden. Zij juicht ook toe dat er voor de eerste keer een systematische inventaris wordt opgemaakt van de ongelijkheden in het sociaal en fiscaal recht.

Spreekster vindt het een goede zaak dat de arbeidstijd verkort zal worden tot 38 uur per week, maar zij vindt het gevaarlijk dat deze maatregel voornamelijk voor één sekse zou gelden. Niet alleen vrouwen moeten kiezen voor arbeidstijdvermindering om meer tijd te hebben voor hun gezin. Er mag ook niet uit het oog verloren worden dat vaderschapsverlof een andere kwestie is dan degelijke kinderopvang voor een schappelijke prijs. Kinderopvang valt dan wel onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, toch blijft het een belangrijk aspect van het evenwicht tussen werk en gezinsleven.

Het is een zeer goede zaak dat de bestrijding van geweld voorrang krijgt, maar het lid merkt op dat geen bijzondere aandacht gaat naar het probleem van geweld binnen het gezin.

Wat de adviesorganen betreft, vraagt het lid of maatregelen zijn genomen om de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid beter te doen toepassen ?

Ten slotte merkt het lid op dat de hier besproken begroting vooral maatregelen bevat op het vlak van het werkgelegenheidsbeleid. Wat met de andere domeinen zoals de volksgezondheid, het milieu, de mobiliteit, de duurzame ontwikkeling ..., allemaal sectoren waarin ook aandacht moet gaan naar de genderdimensie ?

Een ander lid vraagt hoe de bevoegdheden en verantwoordelijkheden zullen worden verdeeld in de structuur die moet toezien op de toepassing van de mainstreaming. Welke plaats neemt de cel voor gelijke kansen in, waarin het Copernicusplan voorziet ? Spreekster verbaast zich trouwens over dit initiatief : de minister van Ambtenarenzaken had duidelijk gezegd dat dit punt niet aan de orde was.

Krijgen we dit jaar, net als vorig jaar, een algemeen verslag van de regering over haar gelijkekansenbeleid, overeenkomstig de wet van 6 maart 1996 strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie die van 4 tot 14 september 1995 in Peking heeft plaatsgehad ? Werken de departementen er al aan ? Het initiatief van vorig jaar bleek zeer interessant en moet aanzetten tot verdere inspanningen in die richting.

Het lid stelt zich ook vragen bij de toepassing van de genoemde wet betreffende de samenstelling van de federale adviesorganen. Er zijn talrijke afwijkingen toegestaan maar steeds met de vermelding dat later maatregelen zouden worden genomen. Over die maatregelen is niet gesproken. Wat is de reden daarvoor en welke plannen heeft de regering voor de toekomst ?

De bestrijding van het geweld tegen vrouwen zal financieel gesteund worden, maar welke projecten worden precies bedoeld ? Gaat het bijvoorbeeld om projecten die passen in het kader van het Europese programma « Daphné », dat specifieke vormen van geweldbestrijding financiert ? Past het programma met betrekking tot de Europese Middellandse-Zeelanden waarvan sprake is in de toelichting, in de samenwerking met deze landen die het vijfde communautaire actieprogramma inzake gelijke kansen voor vrouwen en mannen (2001-2005) voorschrijft ?

Een lid merkt bezorgd op dat twee grote thema's ontbreken in de beleidsnota van de minister bevoegd voor het Gelijkekansenbeleid. Ten eerste wordt geen melding gemaakt van het beleid inzake vrouwen en besluitvorming. Tot deze materie behoren het probleem van de samenstelling van de adviesorganen, maar ook de invoering in de Grondwet van het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen en de wijziging van de kieswet. Het andere ontbrekende aspect betreft de rechten van vrouwen, een onderwerp dat de minister nochtans nauw aan het hart lijkt te liggen aangezien zij op 8 maart 2000 naar aanleiding van de internationale vrouwendag een studiedag heeft georganiseerd over de rechten van migrantenvrouwen. Die studiedag had aanleiding moeten geven tot wetenschappelijk onderzoek en studies, op basis waarvan concrete maatregelen konden worden genomen.

Uiteraard verheugt het lid zich erover dat in het eerste gedeelte van de nota veel aandacht gaat naar de mainstreaming en naar het probleem van geweld tegen vrouwen. Daarna behandelt de nota het thema van vrouwen en arbeid, en meer in het algemeen de economische positie van vrouwen. Het lid meent echter dat een gelijkekansenbeleid absoluut de twee hierboven vermelde onderdelen moet bevatten, met eventueel nog een aantal bijkomende punten.

Zij sluit zich aan bij de vraag van de vorige spreeksters en wil ook graag weten wanneer de regering haar jaarlijks verslag over haar beleid inzake de doelstellingen van de Peking-conferentie aan het Parlement zal voorstellen.

Tot slot stelt het lid ook nog een vraag over de methodologie. België zal zijn best doen om tijdens het Europees voorzitterschap een voorstel betreffende « benchmarking » in te dienen, maar zou het ook niet in zijn eigen beleid aan « benchmarking » moeten doen ? In alle specifieke domeinen die te maken hebben met gelijkekansenbeleid (geweld, arbeid, beslissingen, vrouwenrechten, ...) zou er gewerkt moeten worden op basis van indicatoren en een timing. Op die manier kan ieder jaar een specifieke afdeling van het Peking-verslag de balans opmaken van de verwezenlijkingen in het voorbije jaar, van de leemtes in het beleid en van de indicatoren die wellicht ontwikkeld moeten worden.

Als antwoord op de kritiek betreffende de structuur van de beleidsnota, merkt mevrouw Riss, vertegenwoordigster van de minister voor het Gelijkekansenbeleid op dat de problematiek van « vrouwen en beslissingen » wordt aangehaald in de inleiding van de algemene uiteenzetting van de begroting 2001, waar het gaat over gelijke kansen voor vrouwen en mannen. De minister voor het Gelijkekansenbeleid heeft ervoor gezorgd dat de nadruk ligt op het ontwerp van grondwetsherziening en dat een gelijke toegang tot verkiesbare mandaten is opgenomen in het ontwerp. Aangezien het ontwerp geen budgettaire implicaties heeft, wordt er in de beleidsnota bij de begroting niet meer naar verwezen.

In strijd met wat vooropgesteld werd, is er in de begroting voor het gelijkekansenbeleid voor 2001 geen sprake van een status quo. De ontwikkeling van het mainstreamingsproces op elk beleidsniveau en de oprichting van een gespecialiseerde cel zijn werkelijk vernieuwend. Een nadeel van de toepassing van de mainstreaming is uiteraard dat niet langer alle acties betreffende gelijke kansen in het hieraan gewijde deel van de begroting worden opgenomen. In het systeem van de mainstreaming omvat deze afdeling van de begroting enkel nog de acties die specifiek gericht zijn op gelijke kansen.

Zoals voordien reeds verduidelijkt is, heeft elke minister zich ertoe verbonden een strategische doelstelling met betrekking tot gelijke kansen te formuleren en een persoon te benoemen die zal toezien op de verwezenlijking van deze doelstelling. De Ministerraad zal deze beloftes goedkeuren. Toch blijkt uit de ervaringen van het Vlaamse Gewest dat logistieke ondersteuning noodzakelijk is, zowel voor de opleiding van mensen als voor de evaluatie van de genomen maatregelen. Dit is een taak voor een speciale cel die afhangt van de minister voor het Gelijkekansenbeleid. Het volgende jaarlijks verslag van de regering over haar beleid inzake de doelstellingen van de Peking-conferentie zal gaan over de uitvoering van het strategisch plan dat de regering heeft opgesteld en over de werking van de mainstreamingstructuur.

« Gelijke kansen » maakt dus deel uit van elk beleid, bijvoorbeeld inzake mobiliteit, milieu, duurzame ontwikkeling, enz.

Wat betreft de herintreedsters, antwoordt mevrouw Riss dat er een eerste denkspoor is overeengekomen met de sociale partners. Vrouwen zouden onder bepaalde voorwaarden recht kunnen hebben op de voordelen die werklozen ook krijgen (2).

Het statuut van de « gardiennes encadrées » staat op de regeringsagenda. Hierover zullen spoedig voorstellen worden ingediend.

De subsidies voor de Nederlandstalige Vrouwenraad en de Conseil des femmes francophones zijn niet uitsluitend bedoeld om de strijd tegen het geweld te financieren. Het geld mag uiteraard ook voor andere projecten worden uitgegeven.

De uitbreiding van het vrouwenhuis « Amazone » valt onder de bevoegdheden van de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, aangezien hij bevoegd is voor de Regie der Gebouwen. Blijkbaar heeft dit departement het nodige geld nog niet opgenomen in zijn begroting.

Het initiatief dat samen met de Europese Middellandse-Zeelanden wordt ontwikkeld, past in het proces van Barcelona op het niveau van de Europese Raad Algemene Zaken. Het is niet verbonden met het vijfde communautair actieprogramma inzake gelijkheid tussen vrouwen en mannen, dat een eigen initiatief is van de minister van het Gelijkekansenbeleid.

Het vijfde actieprogramma is echter wel ontwikkeld op basis van de Europese indicatoren. Conform de communautaire vereisten zijn er al indicatoren ontwikkeld over vrouwen en beslissingen en over het evenwicht tussen arbeid en gezinsleven. Er zullen nog indicatoren volgen over loonongelijkheden en over geweld. De vraag is echter welk gevolg aan deze indicatoren gegeven zal worden en hoe zij zullen worden toegepast bij de « benchmarking », aangezien momenteel enkel een regelmatige evaluatie vereist is. De minister voor het Gelijkekansenbeleid heeft daarom de Europese Raad voorgesteld de Europese Commissie ertoe aan te zetten gevolg te geven aan deze indicatoren in het kader van het vijfde actieprogramma.

Het asielbeleid staat de laatste tijd volop in de belangstelling. De minister voor het Gelijkekansenbeleid ziet erop toe dat er op alle niveaus en bij alle beslissingen rekening gehouden wordt met de dimensie « vrouwen » : opvang, structuren, erkenning als geldige reden bij de ondervraging van kandidaten. Dit aspect past echter volledig in de mainstreaming, zodat dergelijke maatregelen niet expliciet aan bod komen in deze nota.

Mevrouw Glineur, vertegenwoordigster van de minister voor het Gelijkekansenbeleid, antwoordt op de opmerking dat het budget om gelijke kansen voor vrouwen en mannen te garanteren, niet zo hoog is als in 1999. Zij herinnert eraan dat er tijdens het vorige boekjaar geen budget was voorzien voor de sociale verkiezingen, zodat de minister in allerijl een bepaling heeft moeten invoegen. De minister heeft nadien, tijdens het begrotingsconclaaf van april 2000, de belofte gekregen dat het budget regelmatig zal worden verhoogd. Volgens dit akkoord zal het budget voor het gelijkekansenbeleid tot het einde van deze zittingsperiode jaarlijks worden verhoogd met 6 miljoen. Deze verhoging komt in principe bovenop de reeds aan de verschillende projecten toegekende bedragen. Dit jaar echter wordt dit geld gebruikt om voor de eerste keer subsidies te geven aan de Nederlandstalige Vrouwenraad en de Conseil des femmes francophones. De verhoging van het budget bedraagt dus wel degelijk meer dan de jaarlijkse indexaanpassing.

Een lid merkt op dat de nettostijging van het budget vrij laag uitvalt als de indexaanpassing wordt meegerekend. In deze periode van hoogconjunctuur zou er toch meer mogelijk moeten zijn. Het bedrag van de subsidies voor de vrouwenraden zou omhoog kunnen, zodat het binnen drie tot vier jaar evenveel bedraagt als het bedrag dat de VZW « Sophia » krijgt. Als er bovendien als voorwaarde wordt gesteld dat de raden professioneler gaan werken en deskundigen in dienst nemen, kan het bedrag zelfs hoger liggen. Het financieringsproces zou stapsgewijs kunnen verlopen, op basis van een soort overeenkomst die kwaliteitseisen oplegt. Ook andere projecten zouden subsidies kunnen krijgen. Er wordt een half miljoen uitgetrokken voor informaticauitgaven. Dat is natuurlijk positief, maar in een dergelijk domein volstaat een langzame stijging van het budget niet om de snelle technische vooruitgang bij te benen. Er moet een grotere financiële inspanning gedaan worden, zeker in deze periode van hoogconjunctuur. Op het vlak van gelijke kansen zijn uiteraard heel wat initiateven mogelijk. Zo zouden vrouwelijke politieke fracties steun kunnen krijgen. De Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen wacht al jaren op het nodige geld voor bepaalde projecten.

Mevrouw Riss herhaalt dat de minister voor het Gelijkekansenbeleid allerminst van plan is het budget voor gelijke kansen ondergeschikt te maken : zij wil het integendeel inpassen in de budgetten van andere beleidsopties. De cel die in het kader van het Copernicus is opgericht, is daar een voorbeeld van. Ondanks het feit dat de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen aanvankelijk terughoudend was, is de minister voor het Gelijkekansenbeleid erin geslaagd een speciale « gelijkheidscel » op te laten richten binnen het departement « Personeel en organisatie ». Aangezien deze cel valt onder de minister van Ambtenarenzaken, zullen de uitgaven ervan niet worden opgenomen in het budget gelijke kansen.

De toepassing van de mainstreaming maakt een totaalanalyse van het budget noodzakelijk om alle gelijkekansenmaatregelen van de verschillende departementen te identificeren. Enkel op die manier kan worden vastgesteld hoeveel geld er werkelijk aan gelijke kansen wordt besteed.

Op de vraag betreffende de toepassing van de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid, antwoordt mevrouw Glineur dat tot nu toe enkel het federale niveau al een dergelijke eis stelt. De Vlaamse Gemeenschap heeft de toepassing van een identieke tekst uitgesteld, terwijl er in het Brussels Gewest enkel een ordonnantie bestaat die de eis van de dubbele vertegenwoordiging oplegt. Zelfs al zijn er voor het federale niveau afwijkingen toegestaan, toch heeft de verplichting voor ministers om een driemaandelijks verslag op te stellen over de naleving van de regel, geleid tot een stijging van het aantal organen dat voldoet aan de vereiste van evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen. Via deze verslagen zijn er ook problemen aan het licht gekomen, met name bij de gemengde organen waarvan zowel ambtenaren als mensen uit de vakbonden of de particuliere sector deel uitmaken. Hier blijkt het vaak moeilijk om te komen tot een derde vrouwelijke ambtenaren. De minister voor het Gelijkekansenbeleid heeft besloten dat er ook binnen het ambtenarenapparaat een gelijke-kansenplan nodig is. In 2000 was al 40 % van de organen samengesteld conform de wet, in 1999 was dat slechts 10 %. Het volgende driemaandelijks verslag van 22 december 2000 zal wellicht opnieuw een stijging aantonen. De interministeriële conferentie over de gelijkheid van de kansen heeft besloten een werkgroep op te richten om na te denken over de harmonisering van de wetgevingen inzake gelijkheid die binnen de verschillende overheden van het land bestaan.

Wat de strijd tegen het geweld betreft, lijken de bestaande Belgische wetgeving en de programma's voor slachtofferhulp te voldoen. Er is wel een pertinent gebrek aan een kader-beschikking die het mogelijk maakt de inspanningen op elkaar af te stemmen en een observatiepost voor geweld op te richten. Voor de opstelling van het Nationaal actieplan voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen zal met alle bevoegde partijen overlegd worden, zowel op wetgevingsniveau als op het niveau van de slachtofferhulp of van de preventie door opvoeding bij jongeren. Elk orgaan wordt gevraagd een inventaris op te maken van de genomen maatregelen, deze te evalueren en mogelijke denksporen voor de toekomst te suggereren.

Tot de prioriteiten van de minister voor het Gelijkekansenbeleid behoren de verbetering van het statuut van de slachtoffers, de invoering van een systeem gericht op de permanente evaluatie van de wetgevingen alsmede de primaire preventie. Het is eveneens de bedoeling de achterstand in te winnen die België heeft opgelopen bij de ontwikkeling van programma's die zijn toegespitst op mannen.

Het plan ter bestrijding van het geweld heeft betrekking op alle vormen van geweldpleging op vrouwen met inbegrip van het geweld binnen het gezin. Verschillende Belgische programma's kunnen rekenen op financiële steun van het Europese programma Daphné. Wij verwijzen hier naar de Europese vrouwenlobby of de campagne van het Witte Lint die op Belgisch niveau en op internationaal niveau mannen oproept zich in te zetten voor de bestrijding van geweldpleging op vrouwen.

De minister voor het Gelijkekansenbeleid is ook voornemens het probleem van het geweld op de werkplek aan te pakken. Daar neemt het de vorm aan van psychologische intimidatie en ongewenst seksueel gedrag. De problematiek past in het algemeen plan ter bestrijding van het geweld, maar zal ook apart behandeld worden.

Mevrouw Riss geeft nadere toelichting over het initiatief dat wordt voorbereid door de minister voor het Gelijke-kansenbeleid in het kader van het MEDA-programma (Euro-mediterraan partnerschap). In het MEDA-programma is het aspect gelijkheid van mannen en vrouwen opgenomen maar er wordt nooit rekening mee gehouden. Bovendie wordt het MEDA-programma gekenmerkt door een overdreven bureaucratie die er onder meer toe geleid heeft dat de helft van het beschikbaar budget niet is gebruikt. De minister wil een specifiek programma ontwikkelen dat toegespitst is op de vrouwen in dat MEDA-programma, niet alleen op professioneel niveau maar ook in het kader van de andere pijlers van het « proces van Barcelona ». De commissie is het in het beginsel hiermee eens en heeft begrotingsmiddelen vrijgemaakt. De inhoud van het plan moet nu worden vastgelegd in samenwerking met de NGO's, de verenigingen in het veld.

Een lid stelt voor de heer Flahaut, minister van Landsverdediging, te helpen bij het ontwerpen van een menselijkere aanpak van de vrouwenproblematiek en van de problemen in verband met ongewenst seksueel gedrag in het leger. Zij verklaart immers geschokt te zijn door de collectieve ondervraging van de vrouwelijke militairen over wat zij eventueel hebben meegemaakt. Wie zal in aanwezigheid van al zijn collega's ervaringen durven onthullen die zo rechtstreeks verband houden met de fysieke en psychische integriteit ?

Het lid is het eens met de systematische evaluatie van de wetgeving. Ook andere soorten instrumenten zouden kunnen worden gebruikt zoals emancipatie-effectrapportering of zoals op Europees niveau, het opstellen van een jaarsverslag over de goede praktijken.

Ten slotte heeft spreekster vragen over de rol van de cel « gelijke kansen » uit het Copernicus-plan. Zal de cel zich ertoe beperken toe te zien op de toepassing van het gelijkheidsbeginsel bij de overheid, bijvoorbeeld bij de aanwervingen of zal zij ook tot taak hebben mensen die zich met de interviews bezighouden bewust te maken van de genderproblematiek ?

Een ander lid maakt zich zorgen over een gerucht volgens hetwelk de Directie voor het gelijkekansenbeleid in het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid zou worden afgeschaft. Voor de uitvoering van een beleid zijn niet alleen begrotingsmiddelen nodig maar ook bekwaam en gemotiveerd personeel. Het is belangrijk dat die mensen toekomstperspectieven hebben en zich niet geremd weten in hun loopbaan omdat zij zich bezighouden met gelijke kansen, wat in het verleden vaak het geval is geweest. Wat zal dan het lot zijn van deze administratie in het Copernicus-plan ? Onder welke minister zal die administratie ressorteren ?

Het lid heeft herhaaldelijk regeringsleden ondervraagd om te weten of zij de Raad voor gelijke kansen raadplegen. Elk jaar antwoorden de ministers dat zij nog geen beroep hebben gedaan op de diensten van de Raad omdat gelijke kansen niet aan de orde waren in hun departement. Ter bevordering van de mainstreaming moeten alle ministers een beroep doen op deze Raad. De Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen moet geherwaardeerd worden en als adviesorgaan worden ondersteund en gestimuleerd. De Raad moet ten opzichte van de andere departementen een bepaald gezag genieten. Om zijn eigen geloofwaardigheid te verhogen, moet de Raad zelf ook evenwichtig zijn samengesteld. Een eigen website (zoals bij de Federale Raad voor de duurzame ontwikkeling) zou een belangrijke troef zijn van de Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen. De adviezen van de Raad kunnen dan on line geraadpleegd worden in het Nederlands en in het Frans.

Het lid wenst eveneens een overzicht van de concrete plannen op het vlak van nieuwe technologieën. Er is al gesproken over een verbeterde toegang tot de technologie voor groeperingen van vrouwelijke politici. Wordt hierover in de komende maanden een voorstel ingediend ? Zijn er nog andere plannen ?

Het onderdeel « vrouwen en politiek » is aan bod gekomen via de ontwerpen tot wijziging van de Grondwet en de kieswet en via de bemoedigende trend in de samenstelling van de adviesorganen. Wetswijzigingen volstaan echter niet. Om over enkele jaren opnieuw vooruitgang te boeken, moet er gewerkt worden aan een mentaliteitswijziging en moeten de vrouwen in de politieke partijen meer steun krijgen. Het lid vraagt de minister voor het Gelijkekansenbeleid hiervoor een totaalplan op te stellen. Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen is trouwens van plan om ­ eventueel in samenwerking met de minister voor het Gelijke-kansenbeleid ­ de verkiezingsuitslagen te beoordelen op basis van de vertegenwoordiging van de vrouwen.

Het lid wenst te vernemen welk wetenschappelijk onderzoek het departement Gelijke Kansen momenteel financiert. Het zou interessant zijn voor het Comité om op de hoogte te worden gehouden van de studies die worden uitgevoerd, over de thema's van deze studies en over de prioriteiten die de minister stelt. Het comité zou ook een kopie van het eindverslag van deze studies kunnen krijgen.

Hoe moet de impact van de maatregelen met betrekking tot de vrouwen worden gemeten ? Samen met andere senatoren heeft spreekster een wetsvoorstel ingediend dat tot doel heeft een verplichte emancipatie-effectrapportage op te leggen. Dat voorstel biedt dus een eerste mogelijke oplossing aan. Wanneer zal de regering daarover een ontwerp opstellen ? Zonder wettelijk kader blijft het emancipatie-effectrapport facultatief, een experiment, dat niet op structurele manier in het beleid wordt geďncorporeerd. Zowel het mainstreamingbeginsel als de emancipatie-effectrapportage hebben nood aan een wettelijk kader en de regering moet daar werk van maken.

Wat de overheidsdiensten betreft, stelt spreekster vast dat de positieve acties door de verschillende departementen op uiteenlopende wijze worden toegepast. De oprichting van de cel « gelijke kansen » waarin het Copernicusplan voorziet, volstaat duidelijk niet. Zonder een sterke politieke wil kunnen de vastgeroeste gewoonten en de mentaliteit van de overheidsdiensten niet worden bestreden. Er moet een netwerk worden opgericht met de nodige middelen, dat een beroep kan doen op deskundigen. De impuls moet worden gegeven door het departement voor gelijke kansen van minister Onkelinx, en niet worden overgelaten aan de minister van Ambtenarenzaken, die andere prioriteiten heeft. Bovendien moet het principe van de gelijke kansen worden toegepast in de aanwerving op alle niveaus, met inbegrip van de basis.

Mevrouw Riss, vertegenwoordigster van de minister bevoegd voor de Gelijke Kansen, deelt de leden mee dat de minister van Landsverdediging de minister bevoegd voor Gelijke Kansen heeft uitgenodigd om haar algemene beleidsnota over ongewenst seksueel gedrag te komen toelichten tijdens het colloquium dat hij daarover organiseert. Dat is een lovenswaardig initiatief.

De methodologie van het toekomstige gelijke-kansenbeleid kan als volgt worden samengevat. De mainstreaming-cel is precies opgericht om de emancipatie-effectrapportage op federaal niveau op te starten. Deze cel zal nagaan hoe de emancipatie-effectrapportage concreet zal worden toegepast op de verbintenissen die zijn aangegaan. Dit instrument heeft immers ook nadelen, met name dat de beoordeling vooraf gebeurt. Anderzijds maakt een verslag over de « goede pratijken » logischerwijze deel uit van het « Peking-verslag » van de regering, waarin de gemaakte vooruitgang, de leemten en de redenen daarvoor worden uiteengezet. Men is nog niet begonnen aan het Peking-verslag, omdat het mainstreaming-plan nog door de Ministerraad moet worden goedgekeurd.

De cel « gelijke kansen » die wordt opgericht in het departement « Personeel en organisatie » zal op alle niveaus werkzaam zijn. Het principe is verworven en betekent op zich al een overwinning. De concrete toepassing is voor de toekomst.

Overeenkomstig het Copernicus-plan, zal de huidige Directie voor het gelijke kansenbeleid een tijdelijke programmatorische overheidsdienst worden : hij zal verdwijnen zodra de gelijkheid van kansen verwezenlijkt is. De dienst heeft een horizontale werking, dat wil zeggen dat hij in alle departementen zal optreden, maar dat hij onder de verantwoordelijkheid blijft van de minister bevoegd voor de Gelijke Kansen en zijn eigen, specifieke bevoegdheiden behoudt.

Men heeft de Raad van gelijke kansen voorgesteld een website op te richten, maar de Raad verkoos een brochure uit te geven met alle adviezen die hij ooit heeft verleend. De Raad wees er ondere andere op dat niet alle bibliotheken van het land aangesloten zijn op het internet.

Aangezien zij ook belast is met Tewerkstelling, heeft de minister bevoegd voor Gelijke Kansen als voornaamste doelstelling voor haar departement gekozen voor het openstellen van de nieuwe technologieën voor vrouwen. Op de interminsiteriële conferentie inzake gelijke kansen is een werkgroep opgericht die de initiatieven ter zake moet coördineren. Verschillende problemen zijn behandeld, zoals het onderwijs, de opleiding, de beroepsinschakeling, de oprichting van ondernemingen, de netwerken ... Met de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek is overwogen een studie te verrichten over de invloed van de nieuwe technologieën op het vlak van de werkgelegenheid en is een offerteaanvraag uitgeschreven waarin rekening gehouden wordt met de genderdimensie. Tenslotte is de gelijke toegang tot de nieuwe technologieën ook een van de prioriteiten van het Europees Sociaal Fonds.

De interministeriële conferentie voor het Gelijke-kansenbeleid heeft ook gewezen op de noodzaak van een mentaliteitsverandering. Er is besloten niet meer alleen op bepaalde momenten op te treden naar aanleiding van de verkiezingen, maar een permanente campagne rond het thema te voeren.

Een lijst van de door het departement voor Gelijke Kansen gefinancierde studies zal later medegedeeld worden (3).

2. DE GELIJKE KANSEN TUSSEN VROUWEN EN MANNEN IN HET KADER VAN DE POLITIEHERVORMING

2.1. Uiteenzetting van de heer Koekelberg, vertegenwoordiger van de heer Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken

De heer Koekelberg, vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken, verklaart dat zijn uiteenzetting uit twee delen zal bestaan, het eerste met betrekking tot de politiediensten en het tweede met betrekking tot de slachtofferopvang binnen de politiestructuren.

Artikel 129 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geďntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bekrachtigt een volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen als leden van de geďntegreerde politie. Het beginsel van deze gelijkheid wordt in het eerste lid bevestigd, en daarna, in het tweede lid, toegepast op het statuut en op de arbeidsvoorwaarden van het personeel binnen de politie. Onder voorbehoud van de bepalingen betreffende de bescherming van het moederschap zijn het statuut en de arbeidsvoorwaarden identiek in de politie, of het nu gaat om leden van het operationele kader dan wel om leden van het administratief en logistiek kader. Het ontwerp van koninklijk besluit tot invoering van het statuut maakt geen enkel onderscheid op grond van het geslacht, onder voorbehoud van bepalingen ter bescherming van het moederschap die in sommige gevallen het nachtwerk van zwangere vrouwen reglementeren of verbieden.

De selectieproeven waaraan de toekomstige leden van het politiekorps zullen worden onderworpen, zijn gegroepeerd rond drie assen. Met kennisproeven worden de intellectuele vaardigheden van de aspirant-politieagenten gemeten, psychotechnische proeven beogen hun emotionele stabiliteit te meten en medisch-fysieke proeven zijn bedoeld om hun gezondheistoestand alsmede hun fysiek potentieel te controleren. Vroeger waren de fysieke proeven (hardlopen, spierwerking, ...) de facto discriminatoir voor een deel van het personeel, waaronder de vrouwen. Deze proeven zijn vervangen door potentialiteitstest, waarin wordt gemeten in welke mate de aspirante in staat is na afloop van een opleiding een bepaald fysiek profiel te bereiken. De gedachtegang was de volgende : van een aspirant-politieagent wordt niet verwacht dat hij onmiddellijk in staat is een proces-verbaal op te stellen of op de plaats van de misdaad vaststellingen te verrichten. Na afloop van een opleiding zal men nagaan of hij het vereiste profiel bereikt heeft. Hetzelfde geldt voor de fysieke conditie. Tijdens ongeveer een jaar zal de aspirant-politieagent een fysieke opleiding krijgen, die hem in staat zal stellen te voldoen aan de vereisten van het ambt. In het stadium van de slectie kan aan de hand van de tests alleen een prognose worden geformuleerd over het vermogen van de persoon om aan het einde van de opleiding het vereiste fysieke profiel te bereiken. De medische proeven zijn aangepast aan de persoonlijkheid, aan de morfologie en dus indirect aan het geslacht van de aspirant.

Inzake slachtofferopvang bestaan er reeds voorzieningen met gespecialiseerd personeel. Op het vlak van de gemeente bestaan gemengde structuren met sociaal assistenten en politieagenten die een opleiding in maatschappelijke hulp hebben genoten. Deze structuren worden zowel op federaal als op plaatselijk vlak overgenomen. De maatschappelijk assistenten die momenteel in de brigades van de recherche en in de districten van de rijkswacht werken, hangen voortaan af van de gedecentraliseerde diensten van de federale politie. In elk gerechtelijk arrondissement zal minstens één maatschappelijk assisten werken. De aanwerving van politie-assistenten voor de plaatselijke politie gaat door. Bij de herindeling van het grondgebied in politiezones hebben de lokale politiekorpsen veertien taken gekregen, waaronder slachtofferhulp. Voor slachtofferhulp is de norm bepaald op een maatschappelijk assistent en een politie-assistent per 15 000 inwoners. Deze norm geeft slechts een minimum aan, in grote zones als bijvoorbeeld Brussel en Antwerpen, komen er meer assistenten.

De politie-opleiding wordt de komende maanden grondig hervormd; toekomstige agenten zullen worden verdeeld over vier kaders : een hulpkader, een basiskader, een middenkader en een officierenkader. Over de inhoud en de duur van de opleiding, alsook over de methodes, zijn momenteel onderhandelingen aan de gang met de vakbonden, maar het programma zal in ieder geval een luik slachtofferhulp omvatten.

2.2. Gedachtewisseling

Een lid maakt zich zorgen over de onzekerheid die momenteel heerst met betrekking tot de criteria voor de selectieproeven. Als arts heeft hij meer dan drie maanden moeten wachten op informatie over de gehanteerde medisch-fysieke parameters. Bovendien zijn twee van zijn patiëntes die een eerste keer niet geslaagd waren, voor de testen geslaagd nadat zij drie maanden getraind hadden. Als de proeven enkel bedoeld zijn om na te gaan of iemand de vereiste fysieke condie kan halen, hadden deze vrouwen al in de eerste test moeten slagen.

De vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Koekelberg, verbaast er zich over dat het lid zolang heeft moeten wachten om de vereiste toelichting te krijgen, want de medische criteria die thans worden gehanteerd bij de rijkswacht zijn vastgelegd in twee koninklijke besluiten. Het koninklijk besluit van 5 november 1971 is een zeer gedetaileerde tekst die voor alle strijdkrachten geldt en die nog steeds van toepassing is op de rijkswacht, ook na de demilitarisering. Het koninklijk besluit van 9 april 1979 legt een minimumprofiel vast waaraan elke kandidaat moet voldoen, ongeacht zijn geslacht. Dit profiel is eveneens een soort beoordeling van de geschiktheid van iemand om op termijn te kunnen omgaan met de arbeidsomstandigheden bij de rijkswacht. Geen enkele grond van ongeschiktheid mag aan die criterialijst worden toegevoegd. Wordt de kandidaat ongeschikt bevonden, dan kan hij bij de medische dienst van de rijkswacht die de beslissing genomen heeft een willig beroep instellen. Indien de vastgestelde ongeschiktheid, zoals bijvoorbeeld een gewichtsprobleem, slechts tijdelijk is, kan de kandidaat bij de medische dienst de nodige aanwijzingen verkrijgen om op termijn aan de toelatingsvoorwaarden te voldoen.

In de toekomst zal de doorzichtigheid gegarandeerd blijven via een ministerieel besluit dat de toelatingsprocedure bij de toekomstige politie in de kleinste details zal vastleggen. De volledige lijst van alle ongeschiktheidsgronden zal in een bijlage worden opgenomen.

Een lid vraagt of gewaarborgd wordt dat de bevoegde wetenschappelijke commissie ten minste een derde leden van het andere geslacht zal tellen en dat de nieuwe normen vanuit genderoogpunt neutraal zullen zijn.

De heer Koekelberg bevestigt dit.

Een lid wenst toelichting over de afwijkingen van het gelijkheidsbeginsel om zwangere vrouwen te beschermen. Daarenboven wil ze weten of de drie aspecten namelijk het cognitieve, psychotechnische en medisch-fysieke op alle aanwervingsniveaus zijn terug te vinden, ook bij de kandidaten voor hoge posten.

De heer Koekelberg legt uit dat het enige verschil dat gemaakt wordt voor zwangere vrouwen de arbeidsorganisatie betreft, alsook het aantal te presteren uren en de duur van de nachtelijke prestaties. De normen werden vastgesteld in overeenstemming met de internationale regels. De drie dimensies van de aanwervingstesten zijn wel degelijk op alle niveaus voorhanden. Opgemerkt zij evenwel dat die drie krachtlijnen niet gebruikt worden in de huidige aanstellingsprocedures want die richten zich tot kandidaten die reeds tot de politie behoren en die dus geacht worden aan het vereiste profiel te voldoen.

Een lid vraagt of men over cijfers beschikt met betrekking tot het aantal vrouwen bij de politie, de niveaus waartoe zij behoren en de arbeidsregeling waaronder zij werken (voltijds of deeltijds). Heeft men de aanwerving gepland van iemand die bij de opleiding van het personeel dat belast is met de aanwerving, rekening houdt met de genderdimensie ? Zijn de fysieke proeven zo opgevat dat ook vrouwen hiervoor kunnen slagen ? Er werden tenslotte ook voorlichtingscampagnes georganiseerd om jongeren en vreemdelingen ertoe aan te zetten te gaan werken bij de rijkswacht, doch die verliepen zeer ongelijk in de verschillende regio's. Hoe zijn die campagnes georganiseerd en gecoördineerd ?

De heer Koekelberg legt uit dat krachtens het ontwerp van koninklijk besluit houdende het stattut van het politiepersoneel de aanwervings- en selectieproeven georganiseerd worden met behulp van de bestaande selectiemogelijkheden, doch onder controle van Selor. Voortaan is er dus een externe controle op het departement.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken bereidt een campagne voor met het oog op de aanwerving van kandidaten bij de toekomstige politie. Die campagne verloopt via alle mogelijke kanalen : schijvende pers, radio en televisie, prospectussen op de commissariaten, stands op de beurzen voor studiebegeleiding en -oriëntatie van studenten. De informatiedoorstroming is misschien niet volledig maar er worden inspanningen gedaan om het grootste deel van de bevolking te bereiken.

Een ander lid vindt informatie in cijfers noodzakelijk. Om te kunnen discussiëren over welke maatregelen genomen moeten worden, zijn een aantal gegevens nodig : het aantal mannen en vrouwen bij de politie, eventuele tekorten, waar deze tekorten zich voordoen, ...

Een lid wenst te vernemen welke dienst deze gegevens zal verzamelen en bijwerken. Een van de aanbevelingen van het Actieprogramma van de Pekingconferentie is precies het beschikken over cijfergegevens, uitgesplitst per geslacht.

De heer Koekelberg antwoordt dat het grote aantal informatiebronnen een probleem vormt. Om te weten hoeveel vrouwen er bij de politie werken, moet elke politiedienst afzonderlijk geraadpleegd worden. In de toekomst zal een dienst van de algemene directie van personeelszaken binnen de federale politie informatie hebben over al het personeel van de eengemaakte politie. Voor een overzicht van de situatie kan dan een beroep worden gedaan op deze dienst.

Een lid merkt op dat er al vanaf de sollicitatie cijfers kunnen worden bijgehouden om het tekort aan vrouwen bij de politie te verklaren.

Een lid herinnert aan het advies dat het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen tijdens de vorige zittingsperiode heeft uitgebracht over het thema « Vrouwen en politie ». Het Adviescomité had hiervoor een aantal vrouwelijke politiemensen geraadpleegd. In welke mate hebben vrouwen deelgenomen aan de onderhandelingen over de teksten die van toepassing zijn op de eengemaakte politie ? Het lid wenst een overzicht van het aantal vrouwen dat aan de verschillende stappen heeft deelgenomen.

Momenteel bestaat er binnen de rijkswacht een soort cel die zich bezighoudt met positieve acties, maar blijkbaar zal deze cel bij de hervorming verdwijnen, in plaats van als voorbeeld te dienen voor de andere korpsen. Wat is hier de stand van zaken ? Wordt de oprichting overwogen van een adviesorgaan over vrouwen en politie, dat intern advies zou kunnen geven over het aanwervings- en promotiebeleid ?

Deeltijdse arbeids is bij wet toegestaan, maar enkel op basis van het 4/5-systeem. Waarom wordt ook halftijdse arbeid niet toegestaan, zoals in veel andere landen ? Bij de rijkswacht wordt borstvoedingsverlof momenteel bezoldigd voor 100 %, maar is het waar dat ook dit zal veranderen ? Waarom kunnen politievrouwen niet dezelfde vergoeding krijgen als vrouwen in andere beroepen en sectoren, met behoud van 60 % van hun salaris ? Wat gebeurt er met het vaderschapsverlof ? Zijn de sociale partners akkoord gegaan met de verlenging van het vaderschap tot tien dagen in plaats van drie ? En hoe staat het met het ouderschapsverlof, met het adoptieverlof en met het palliatief verlof ? Deze vragen mogen niet genegeerd worden binnen de hervormde politie, die zich wil inzetten voor het evenwicht tussen werk en gezinsleven.

Tot slot is het lid geschokt door de totale afwezigheid van vrouwen in de directie van de hervormde politie. De top van de hiërarchie had gevarieerder moeten zijn. Hoe is de situatie bij het middenkander ? Zijn er positieve acties gepland ? Gelijkheid moet niet alleen worden aanbevolen als een goed beginsel, vrouwen moeten ook echte kansen krijgen. De regel inzake een derde personen van het andere geslacht die ook voor de kieslijsten en voor de adviesorganen geldt, kan ook worden toegepast in sommige politie-organen.

De heer Koekelberg stelt het lid gerust, halftijdse arbeid wordt mogelijk. Het borstvoedingsverlof echter zal inderdaad niet meer bezoldigd worden, aangezien de regeling bij de rijkswacht een uitzondering vormde op de gangbare regelingen bij de overheid. Voor de andere verlofmogelijkheden verwijst de heer Koekelberg naar het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het statuut van de toekomstige politie.

Toen de minister van Binnenlandse Zaken het departement onder zijn bevoegdheid kreeg, heeft hij alle betrokkenen de mogelijkheid geboden hun eisen kenbaar te maken. De vereniging van politievrouwen is gehoord. Dat was de enige keer dat een groep specifiek de belangen van de vrouwen binnen de politie heeft verdedigd. Nadien zijn de onderhandelingen conform de wet gevoerd, binnen een onderhandelingscomité waarin de verschillende politievakbonden vertegenwoordigd waren. Deze vakbonden bepaalden uiteraard zelf de samenstelling van hun delegatie en vaardigden soms vrouwen af. Maar de wet zegt niets over het raadplegen van organen die specifiek de belangen van de vrouwen verdedigen.

Bij promoties wordt geen onderscheid gemaakt tussen vrouwen en mannen, maar in de praktijk krijgen vrouwen allicht minder snel een van de hogere rangen aangezien zij nog maar relatief kort toegang hebben tot het politieambt. Voor de bevorderingen bij de federale politie waren er geen vrouwelijke kandidaten, terwijl binnen de gemeentepolitie toch enkele vrouwen aan de voorwaarden voldeden. Bij de demilitarisering in 1992 is bij wet bepaald dat het operationeel korps van de rijkswacht minstens 40 vrouwelijke officieren moest tellen en 600 vrouwen met andere graden. Zes jaar later is het doel van 600 vrouwen bereikt, maar zijn er nog geen 40 vrouwelijke officieren. Is hier sprake van discriminatie, of zijn vrouwen niet geďnteresseerd in dit werk ? Hoe dan ook, de minister van Binnenlandse Zaken is bereid zich in te spannen om dit doel alsnog te bereiken.

Een lid benadrukt tot slot de noodzaak om binnen de rijkswacht een gespecialiseerde cel op te richten en te voorzien in het nodige personeel en geld om studies uit te voeren en voorstellen te doen. Enkel een wetenschappelijke studie over meerdere jaren kan achterhalen waarom vrouwen op bepaalde niveaus binnen de politie ondervertegenwoordigd zijn en oplossingen aanreiken voor de toekomst. De genderdimensie moet meer aan bod komen in het aanwervings- en promotiebeleid. Er moet ook gewerkt worden aan een mentaliteitswijziging binnen de politiekorpsen. Het beleid van de minister van Binnenlandse Zaken moet al deze aspecten omvatten.

3. GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN IN HET KADER VAN DE MODERNISERING VAN DE FEDERALE OVERHEIDSDIENSTEN

3.1. Uiteenzetting door mevrouw A. Baudine, vertegenwoordigster van de heer Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en van de Modernisering van de openbare besturen

Mevrouw A. Baudine, vertegenwoordigster van de minister van Ambtenarenzaken en van de Modernisering van de openbare besturen verklaart, dat de programmatorische overheidsdienst « Gelijke kansen » vertegenwoordigd zal zijn in de horizontale overheidsdienst « Personeel en organisatie », die de vastgestelde krachtlijnen verder moet ontwikkelen. Het gelijke-kansenbeleid dat de programmatorische overheidsdienst uitstippelt, wordt in elke dienst in de praktijk gebracht door een persoon die met die taak wordt belast in de dienst « Human resources » van het betrokken departement.

De minister wil dat de gelijkheid op natuurlijke wijze tot stand komt en er zullen dus geen quota's worden vastgesteld om de promotie en de vertegenwoordiging van vrouwen op alle machtsniveaus te bevorderen. Twee universiteiten (ULB en KUL) hebben mensen geselecteerd om een leersabbat te volgen : gedurende ongeveer een jaar volgen zij buiten de overheidsdienst een managementopleiding. De eerste selectie, waarvan alleen mensen jonger dan vijfendertig mochten deelnemen, leidde tot een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. De minister had gevraagd dat men zou streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging, maar had die niet opgelegd. De doelstelling is dus verwezenlijkt zonder dat het nodig was om kandidaten « op te vissen ».

Nu zal er een selectie gebeuren voor de managementposten. Het ziet ernaar uit dat een evenwicht tussen mannen en vrouwen haalbaar is tot niveau -2 (4). Voor de niveaus 0 en -1 wordt dat moeilijker : er is meer anciënniteit nodig om tot deze posten te worden benoemd zodat alleen de oudere generatie ambtenaren, die minder vrouwen telt, in aanmerking komt. Aangezien op niveau -2 reeds een evenwicht is bereikt, kan men ervan uitgaan dat dit binnen enkele jaren ook het geval zal zijn in de hogere niveaus.

De minister is zich bewust van de genderproblematiek. Hij heeft al overwogen om, indien problemen ontstaan, een commissie in te stellen met mensen uit de universiteitswereld, die moeten nagaan hoe de eventuele ongewenste negatieve gevolgen van het beleid kunnen worden opgevangen.

Slechts één van de tien net aangeworven deskundigen inzake « human resources » is een vrouw. Uit deze abnormaal zwakke vertegenwoordiging van vrouwen leidt de minister af dat misschien fouten zijn gemaakt in de formulering van de vacaturebeschrijving. Misschien is te zwaar de nadruk gelegd op de wil om te veranderen, om pionierswerk te verrichten. Dat past nog niet echt in de mentaliteit van de meeste vrouwen en kan verklaren waarom zich zo weinig vrouwen kandidaat hebben gesteld.

3.2. Gedachtewisseling

Een lid spreekt haar bezorgdheid uit over het sneeuwbaleffect dat de afwezigheid van vrouwen bij het personeel dat instaat voor de aanwerving, kan hebben. Vrouwen hebben een zekere voeling met het probleem van het zoeken van waardevolle vrouwelijke ambtenaren. Daarentegen is helemaal niet zeker dat mannen voldoende aandacht zullen besteden aan de kwestie van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Mevrouw Baudine hoopt dat haar antwoord iedereen kan geruststellen. In de cel « human resources » zal de deskundige omringd zijn door andere personen, waardoor het evenwIht kan worden hersteld. Bovendien zit in elke cel ook iemand die belast is met het gelijke-kansenbeleid en die vooral het door de dienst voor de gelijke kansen uitgestippelde beleid in de praktijk zal moeten brengen.

De selectie van de « managers » zal worden uitgevoerd door privé-selectiebureaus die beschikken over wetenschappelijke selectiemethoden die hun diensten al bewezen hebben met betrekking tot het evenwicht tussen mannen en vrouwen. De Vlaamse Gemeenschap heeft dergelijke procedures al gebruikt. Daar was met name een dubbele selectie uitgevoerd, enerzijds door een privé-bureau en anderzijds door de leidinggevende ambtenaren van de diensten zelf. Het resultaat van beide selectiemethoden vertoonde 20 % verschil wat de vertegenwoordiging van vrouwen betreft.

Een lid is teleurgesteld over het geringe aantal maatregelen dat in het kader van de modernisering van de openbare besturen wordt genomen ten aanzien van de vrouwen. Zij zou voor alle overheidsdiensten cijfers willen zien betreffende de exacte verdeling van mannen en vrouwen op elk niveau. Het is gevaarlijk dat er bijna geen vrouwen zijn bij de deskundigen inzake « human resources ». Zo is er immers geen enkele waarborg dat aan de basis rekening wordt gehouden met de genderdimensie in de aanwervingsproeven en kan er niet worden opgetreden tegen tests die vrouwen benadelen. Hoe ver staat het met de oprichting van een gespecialiseerde cel voor gelijke kansen ?

Mevrouw Riss, vertegenwoordigster van de vice-eerste minister en minister van Tewerkstelling, bevoegd voor de Gelijke Kansen, verklaart dat een studie met de titel « Objectifs chiffrés » de precieze samenstelling bevat van de overheidsdiensten per niveau en per departement. Deze verdeling is ook terug te vinden in de cijfers betreffende de personeelsbestanden van de overheidsdiensten. De cijfers bestaan dus al maar de vraag is hoe ze gebruikt worden.

Mevrouw Baudine, vertegenwoordigster van de minister van Ambtenarenzaken en van de Modernisering van de Openbare Besturen, verklaart in detail hoe de situatie eruit ziet in het huidige systeem. Tot rang 1 is er een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen. Het aantal vrouwen vermindert geleidelijk naargelang men hoger opklimt in de hiërarchie : rang 13 telt nog 20 % vrouwen, rang 10, 10 %; rang 16, 3 % en in rang 17 zijn vrouwen totaal afwezig. Tot nog toe gebeuren bevorderingen immers intern op basis van beoordelingen door een meerderheid van mannen. Dat is een van de redenen waarom de minister heeft besloten een beroep te doen op externe bureaus die wetenschappelijke methoden gebruiken die hun waarde met betrekking tot de gender-dimensie al hebben bewezen.

Zelfs als er in de horizontale overheidsdienst « Personeel en organisie » geen cel gelijke kansen zou bestaan, zou er nog in elke dienst minstens een persoon verantwoordelijk zijn voor de gelijke kansen.

Een lid vraagt of deze persoon zich helemaal aan die taak wijdt of daarentegen een extra opdracht krijgt naast zijn gewone taken.

Mevrouw Baudine wijst erop dat die personen hoe dan ook zullen afhangen van de cel « Human resources », dus een cel die gespecialiseerd is in de personeelsorganisatie. Dat is een grote vernieuwing : tot nog toe oefenden de ambtenaren belast met de positieve acties in de verschillende departementen vaak taken uit die geen enkel verband hielden met hun opdracht inzake gelijke kansen.

Een lid meent dat het departement « Human resources » ook een sensibiliseringsbeleid moet voeren met betrekking tot de genderdimensie. De leidinggevende ambtenaren zouden een opleiding moeten volgen om een vrouwvriendelijk beleid te ontwikkelen zowel inzake de aanwerving als de werking van de diensten. Het gelijke-kansenbeleid mag niet afhankelijk zijn van één persoon in de dienst.

Mevrouw Baudine herinnert eraan dat er al maatregelen zijn genomen ter bevordering van de gelijke kansen bij ambtenaren. Opleidingen in conflictbeheersing en taallessen worden overdag gegeven, zodat vrouwen deze opleidingen kunnen volgen zonder daarvoor een stuk van hun gezinsleven op te offeren. Dit systeem zal behouden blijven.

Een lid vraagt zich af of het feit dat een beroep wordt gedaan op particuliere bedrijven voor de aanwerving van ambtenaren voldoende garantie biedt op het toepassen van de genderdimensie. In de particuliere sector zijn er immers weinig vrouwen terug te vinden met topfuncties.

Mevrouw Baudine antwoordt dat het huidige interne promotiesysteem zijn waarde nog niet heeft bewezen. Bovendien zal enkel voor de hoogste functies een beroep worden gedaan op particuliere ondernemingen. Er is ook een verschil tussen de selectie van personen en de uiteindelijke keuze die vaak op een man valt omdat men ervan uitgaat dat een man meer « beschikbaar » is.

Een lid meent dat het beleid niet kan worden uitgedrukt in termen van verwachtingen. Enkel een doelgericht beleid levert resultaten op. Dat is ook de reden waarom de Europese Commissie een programma voor positieve acties bij de overheid heeft opgestart. Bestaat er een nota waarin het gelijke-kansenbeleid in het kader van de modernisering van de overheid wordt uiteengezet ? In het verleden zijn wel positieve acties ondernomen. Sommige initiatieven hebben waarschijnlijk tot resultaten geleid, andere niet. Om dit te achterhalen en er conclusies aan te verbinden, moeten de genomen maatregelen geëvalueerd worden. Een van de grote problemen van het gelijkekansenbeleid was dat de ambtenaren die daarmee belast waren, ook andere taken hadden. Het lid heeft vaak gepleit voor ambtenaren die enkel en alleen belast zouden zijn met het toezicht op de gender-dimensie in het beleid.

In het kader van de Conferentie van de parlementaire commissies voor het gelijkekansenbeleid van de lidstaten en van het Europees Parlement, heeft het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen vernomen dat een parastatale in Duitsland een systematisch beleid van positieve acties bij de aanwerving en de bevordering van personeelsleden heeft ontwikkeld. Deze actie is op touw gezet door een cel die een strategie heeft ontwikkeld om becijferde doelstellingen te bereiken.

Als ze niet van tevoren worden vastgelegd, worden gendercriteria niet altijd toegepast bij bevorderingen. Particuliere selectiebureaus passen deze criteria niet toe als hun daar niet specifiek wordt om verzocht. Het probleem is uiteraard niet het niveau van bekwaamheid van vrouwen. Aan de universiteit zitten in bepaalde studierichtingen veel meer meisjes dan jongens. Tandheelkunde is daar in België een goed voorbeeld van. In die sector zijn meer dan 80 % van de afgestudeerden vrouwen, die bovendien meestal met onderscheiding geslaagd zijn. Toch zijn slechts 10 % van de professoren en assistenten in de tandheelkunde vrouwen. Hieruit blijkt dus dat vrouwen in een sector waarin zij in de meerderheid zijn en bovendien de beste resultaten halen, het toch niet « maken » in het beroep. De oorzaak lig overduidelijk in het systeem om te doctoreren dat erg zwaar en nadelig is voor vrouwen : de doctoraatsverhandeling moet immers in een beperkt aantal jaren geschreven worden en het werk valt dus moeilijk te combineren met een gezin. Deze toestand zal niet vanzelf verbeteren, net zomin als de situatie bij de overheid. Het is allesbehalve vanzelfsprekend dat er zonder inspanningen een evenwicht tussen mannen en vrouwen zal komen in de hoogste functies.

Mevrouw Baudine geeft toe dat de politieke wil er moet zijn om tot een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen te komen. Toch wordt er ook spontaan vooruitgang geboekt. Zo is er bijvoorbeeld het sabbatsjaar voor een opleiding, waarvoor evenveel vrouwen als mannen geselecteerd zijn.

Het evenwicht is op een natuurlijke wijze tot stand gekomen omdat vrouwen even competent zijn als mannen.

Het lid is hier niet van overtuigd. Politiek moet een voluntaristische dimensie hebben en maatregelen ter bevordering van de gelijkheid van de kansen moeten expliciet vermeld worden.

Mevrouw Riss, vertegenwoordigster van de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid, bevoegd voor het Gelijkekansenbeleid, herinnert aan de rol van de structuur die werd opgezet om gelijke kansen te bewerkstelligen. Enerzijds zal de huidige directie van het gelijkekansenbeleid, die een programatiedienst wordt, zich verder bezighouden met de huidige bevoegdheden van de minister van het Gelijkekansenbeleid, waaronder het voeren van positieve acties in de overheidsdiensten. Anderzijds zal de nieuwe horizontale overheidsdienst « Personeel en organisatie », die belast is met het ontwerpen van het hele personeelsbeleid van de overheid, de algemene beleidslijnen uitvoeren die uitgestippeld zijn door de programmadienst. Ten slotte zal in elk departement een cel « Arbeidsomstandigheden » opgericht worden, waarin een persoon verantwoordelijk zal zijn voor het uitvoeren van het gelijkekansenbeleid. Deze persoon zal zich uitsluitend toeleggen op het personeelsbeleid, meer bepaald op de uitvoering van het gelijkekansenbeleid.

Een lid dringt aan op het organiseren van opleidingen voor leidinggevende ambtenaren teneinde hun gedrag en hun opvattingen ten aanzien van het vrouwelijke personeel te verbeteren.

Mevrouw Baudine meent dat dit soort opleiding georganiseerd kan worden door de horizontale overheidsdienst in de verschillende departementen.

Een lid betreurt de afwezigheid van een cel « gelijke kansen » binnen de horizontale overheidsdienst zelf.

Volgens mevrouw Baudine is deze keuze ingegeven door het streven om het gelijkekansenbeleid te integreren in alle aspecten van het personeelsbeleid (loonschalen, statuten, arbeidsvoorwaarden, enz.).

Een lid vindt de omgekeerde handelwijze logischer, namelijk eerst een afzonderlijke cel oprichten in de horizontale overheidsdienst, die dan eventueel op lange termijn kan « opgaan » in een algemene structuur. De ervaring toont aan dat mainstreaming alleen werkt als bepaalde personen in een gespecialiseerde dienst daarmee uitdrukkelijk worden belast. Zonder uitdrukkelijke, duidelijk omlijnde opdracht gaat de toepassing van het gelijkekansenbeleid verloren in de rest van het takenpakket. Daarom heeft de Europese Commissie ook een afzonderlijke cel opgericht belast met positieve acties.

Men kan van de programmatorische dienst niet verwachten dat hij een gelijkekansenbeleid uitstippelt voor de overheidsdiensten. Die dienst kan statistieken bijhouden, de gelijkheid van kansen benadrukken in de beleidsnota's, het principe van positieve acties of van quota's verdedigen, enz. Hij kan echter nooit de nodige ervaring opdoen op een voldoende hoog niveau om binnen de overheidsdiensten een gelijkekansenbeleid te voeren. Het gelijkekansenbeleid moet behoren tot het takenpakket van de horizontale overheidsdienst en niet van de programmatorische dienst. De overheidsdiensten vertonen specifieke problemen die men niet kan overlaten aan een cel die zich al bezighoudt met kwesties rond geweld, besluitvorming, enz. Het in de praktijk brengen van de beginselen moet worden opgedragen aan een gespecialiseerde cel binnen de horizontale overheidsdienst, samengesteld uit hoge ambtenaren met een zekere anciënniteit. Deze ambtenaren moeten eventueel ook opdrachten kunnen uitvoeren in het buitenland, in de Europese instellingen of in de Verenigde Naties, zodat zij met kennis van zaken een beleid inzake positieve acties kunnen voeren.

Mevrouw Riss herinnert eraan dat het Copernicus-plan alleen de grote principes vaststelt, maar dat hun praktische verwezenlijking nog moet worden uitgetekend. Het is alvast positief dat het concept « gelijke kansen » in de dienst « Personeel en organisatie » en in de verschillende departementen is geďntroduceerd. Er is nog niet vastgesteld hoe de horizontale overheidsdienst precies tewerk zal gaan bij de toepassing van de in de programmatorische dienst vastgestelde krachtlijnen. Het is niet uitgesloten dat op dat niveau een cel wordt opgericht.

4. « AMAZONE »

4.1. Uiteenzetting van de heer Eeman, vertegenwoordiger van de heer Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties

De heer Eeman, vertegenwoordiger van de heer Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, deelt mee dat in de begroting 2001 een post is uitgetrokken om de renovatie van de gebouwen van het vrouwenhuis « Amazone » te financieren.

In bijlage kunnen de beschrijving en begroting van de geplande oprichtings- en renovatiewerken voor de uitbreiding van de gebouwen Amazone gevonden worden (5).

Voor de nieuwbouw (vergaderzalen) zijn de kosten begroot op 56 miljoen frank, voor de renovatie (gebouw C : woning) op 19 miljoen frank. De meubeluitrusting, aula- en podiumuitrustingen, keuken- en baruitrustingen en vestiaire-uitrustingen zijn niet in de kostprijs opgenomen.

III. ADVIES

1. ALGEMENE OPMERKING METHODOLOGIE

Het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen heeft de hoorzitting inzake de beleidsintenties van de regering met betrekking tot gelijke kansen voor het begrotingsjaar 2001, ruimer gehouden, niet enkel de minister bevoegd voor gelijke kansen is gehoord in de commissie. Gelet op het feit dat mainstreaming inzake de gelijkheid tussen mannen en vrouwen inspanningen vergt op alle domeinen van het beleid, heeft het Adviescomité beslist de ministers te horen respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken inzake gelijke kansen in de politiehervorming en de minister voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen inzake het gelijke kansenbeleid voor vrouwen en mannen binnen het « Copernicusplan ». Als laatste werd de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties gehoord inzake de plannen over Amazone bis.

Het Adviescomité is dan ook verheugd dat in de schoot van de regering een mainstreamingscel opgericht is om de emancipatie-effectrapportage op federaal niveau op te starten. De regering heeft zich verbonden aan de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie van 1995 in Peking om in elk departement een strategische doelstelling op te leggen en de personen aan te wijzen die zullen toezien op de verwezenlijking van deze doelstellingen. Deze cel is juist gestart onder impuls van de minister voor Gelijke Kansen, om de regering te helpen de doelstellingen na te komen. Het volgende jaarlijkse verslag van de regering over haar beleid inzake gelijke kansen zal gaan over de uitvoering van het strategische plan dat de regering heeft opgesteld en over de werking van de mainstreamingsstructuur. Het Adviescomité kijkt ernaar uit, en zal dit initiatief ondersteunen.

Het Adviescomité is van oordeel dat de regering als geheel van de gelijke kansen een prioriteit moet maken op alle beleidsvlakken.

2. HORIZONTAAL BELEID (MAINSTREAMING)

In dit rapport worden enkele aspecten van het mainstreamingsbeleid behandeld.

2.1. Politiediensten

Het Adviescomité dringt erop aan dat een geďntegreerd beleid van gelijke kansen van mannen en vrouwen wordt gevoerd binnen de nieuwe politiestructuren. Het Adviescomité verwijst naar het advies dat het terzake tijdens de vorige legislatuur heeft uitgebracht (6).

Het Adviescomité verzoekt de minister van Binnenlandse Zaken een positieve-actiebeleid te voeren om gelijke kansen van mannen en vrouwen, onder meer vrouwen van ethnische minderheidsgroepen, te realiseren binnen de politie. Dit beleid veronderstelt dat acties worden ondernomen om vrouwen aan te trekken tot het beroep van politieagenten, met name door een actieve recruteringscampagne te voeren, zoals gebeurd is bij het leger. Dit beleid impliceert ook de oprichting van een positieve-actiecel opgericht binnen de politiediensten en de opstelling van een meerjaren positieve-actieplan, met concrete streefcijfers met het oog op een evenwichtige aanwezigheid voor vrouwen en mannen in alle diensten en op elk niveau.

Het Adviescomité vindt dat de federale politieraad, de lokale politieraad, en in de mate van het mogelijke, de adviesraad van burgemeesters, hoogstens uit 2/3 leden van hetzelfde geslacht dienen te bestaan. Het Adviescomité stelt vast dat de samenstelling van die raden momenteel niet voldoet aan de wetgeving terzake en stelt zich de vraag of de adviezen die in die omstandigheden worden verstrekt, niet ongeldig zijn. Als er blijkt dat aan de norm niet kan worden voldaan, kan men ervan afwijken, maar de procedure die in de wetgeving wordt voorzien, moet nageleefd worden.

Het Adviescomité wenst dat er binnen de politiediensten zou worden gestreefd naar een voorbeeldbeleid wat betreft de combinatie van zorg, gezin en arbeid en dit zowel voor vrouwelijke als mannelijke personeelsleden. Daartoe dienen door de Koning effectieve gezinsverlofregelingen te worden uitgewerkt, inzonderheid wat betreft moederschapsverlof of vaderschapsverlof, adoptieverlof, palliatief verlof en borstvoedingsverlof.

Het Adviescomité benadrukt dat het ministerieel besluit betreffende de medico-fysische testen van bekwaamheid voldoende transparant moet zijn. Die medico-fysische testen dienen aan het geslacht aangepast te zijn.

De bevoegde wetenschappelijke commissie voor de aanwerving moet ten minste een derde leden van het andere geslacht tellen en de nieuwe normen moeten neutraal zijn vanuit genderoogpunt. De leden van deze commissie dienen een vorming inzake genderneutraliteit te krijgen.

Het Adviescomité vraagt om zo vlug mogelijk over cijfermateriaal betreffende de verhouding tussen mannen en vrouwen in de politiediensten te kunnen beschikken.

2.2. Modernisering van de openbare besturen

Het Adviescomité voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen spoort de minister van Ambtenarenzaken en van de Modernisering van de openbare besturen, aan om de genderdimensie binnen de herstructurering van de overheidsdienst te integreren en deze als strategische doelstelling te weerhouden temeer omdat de betrokkenheid en de prestaties van het personeel (ook van de vrouwelijke werknemers) kritische succesfactoren zijn voor een goed functionerende organisatie. Hij vraagt de minister om concrete middelen en instrumenten aan te reiken die noodzakelijk zijn voor de lancering van een succesvol gelijkekansenbeleid zoals een programmatorische overheidsdienst en een cel « gelijke kansen » in alle overheidsdiensten en in het bijzonder in het horizontaal departement « Personeelsbeleid », om zo op intern vlak de gendergevoeligheid te bevorderen. Het Adviescomité wenst dat de gender-neutraliteit binnen de overheidsdiensten op een efficiënte manier wordt getoetst.

De persoon die verantwoordelijk is voor gelijke kansen mag binnen de cel « Personeelsbeleid » geen andere taak toegewezen krijgen.

Het departement « Human resources » moet een sensibiliseringsbeleid voeren met betrekking tot de genderdimensie. De leidinggevende ambtenaren zouden een opleiding moeten volgen om een gender-neutraal beleid te ontwikkelen.

De oprichting van de cel « gelijke kansen » waarin het « Copernicusplan » voorziet, is een eerste stap. Daarnaast moet een netwerk worden opgericht met de nodige middelen, dat een beroep kan doen op deskundigen. De impuls moet worden gegeven door het departement voor gelijke kansen van minister Onkelinx.

3. SPECIFIEK GELIJKE- KANSENBELEID

Het Adviescomité vindt het belangrijk om naast de mainstreaming een specifiek gelijkekansenbeleid te blijven voeren.

3.1. Concrete beleidslijnen

3.1.1. Besluitvorming

Het Adviescomité is bezorgd over het ontbreken van twee grote thema's in de beleidsnota : vrouwen en besluitvorming (samenstelling van de adviesorganen, invoering in de Grondwet van het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen, wijziging van de kieswet) en vrouwenrechten. Het Adviescomité meent dat binnen een volwaardig gelijkekansenbeleid beide thema's aan bod moeten komen, zonder dat het beleid zich tot deze twee punten beperkt.

Wetswijzigingen volstaan niet. Er moet tevens worden gewerkt aan een mentaliteitswijziging door het opzetten van sensibiliseringscampagnes. Het Adviescomité vraagt de minister voor het gelijkekansenbeleid om hiervoor een totaalplan op te stellen. Het Adviescomité suggereert dat de minister bevoegd voor gelijke kansen in dit kader acties zou ondernemen waarbij voorbeelden van « good practices » worden beloond.

Maatregelen moeten genomen worden om de wet van 20 juli 1990 ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid beter te doen toepassen.

3.1.2. Geweld

Het Adviescomité verheugt zich over het feit dat een Nationaal Actieplan wordt voorbereid ter bestrijding van het geweld en dringt er op aan dat een bijzondere aandacht wordt besteed aan het probleem van geweld binnen het gezin.

Over dit thema heeft het Adviescomité een debat georganiseerd. De informatie die de leden daar hebben ingewonnen, onder andere de toename van het aantal klachten in het kader van het partnergeweld (5 600 klachten in tegenstelling tot 174 klachten in 1995) en het feit dat de regering een code zou laten opstellen voor vonnissen, spoort het Adviescomité verder aan om werk te maken op een studiedag.

Het Adviescomité wacht met belangstelling op de initiatieven van de regering inzake geweld op het werk ­ mobbing en ongewenst sexueel gedrag ­, op basis van een evaluatie van de wetgeving betreffende het ongewenst sexueel gedrag op het werk.

3.1.3. Arbeid en sociale zekerheid

De achterstand van de vrouwelijke werknemers moet weggewerkt worden, onder andere via de functieclassificatie, en met toepassing van de Europese richtlijnen ter zake, in het bijzonder richtlijn 76/207/EEG inzake de gelijkheid van behandeling wat betreft de toegang tot de werkgelegenheid, tot de opleiding, tot de professionele promotie en de arbeidsvoorwaarden.

Het Adviescomité staat achter het in overweging nemen van de genderdimensie in het Nationaal Actieplan voor de bestrijding van de armoede. Het Adviescomité meent dat er eerst een specifiek tewerkstellingsbeleid zou moeten worden uitgebouwd en dat de toegangsvoorwaarden tot sociale zekerheid zouden moeten worden aangepast.

Het Adviescomité spoort de regering aan om de individualisering van de sociale zekerheidsrechten door een werkgroep van deskundigen te laten onderzoeken, naar het voorbeeld van de werkgroep betreffende de toenadering tussen de sociale stelsels van werknemers en zelfstandigen, die onder leiding van professor Bea Cantillon werd opgericht.

Het Adviescomité spoort de regering aan om verder te werken aan de problematiek van de herintreedsters en aan het sociaal statuut van de medewerkende echtgeno(o)t(e).

Managen van diversiteit verdient betere erkenning. Het moet beter gepromoot worden bij de bedrijven met de nodige sensibiliseringsacties daaromtrent. Hieromtrent heeft de overheid een voorbeeldfunctie.

3.1.4. Fiscaliteit en financiën

Het Adviescomité ondersteunt ten volle de oprichting van een werkgroep om de feitelijke en formele ongelijkheden op fiscaal gebied na te gaan. Het is raadzaam dat in dit kader niet enkel de ongelijkheden opgespoord zouden worden, doch ook dat zij daadwerkelijk aangepakt worden. Ook de juridische ongelijkheden dienen weggewerkt te worden.

3.1.5. Arbeid en gezin

Het Adviescomité staat achter de doelstelling van de regering om verder aandacht te besteden aan maatregelen om gezins- en beroepsleven optimaal te combineren. Hierbij dienen door de overheid signalen gegeven te worden voor een betere verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden. De hervorming van het vaderschapsverlof is zo'n signaal.

Het Adviescomité meent ook dat bijkomende initiatieven moeten genomen worden om de deelname van mannen aan de zorgtaken in het gezin te stimuleren. Het staat achter het feit dat maatregelen genomen worden om de aanpassing van de arbeidstijd mogelijk te maken maar vindt het gevaarlijk dat deze maatregelen voornamelijk voor één sekse zouden gelden. Het dringt erop aan dat deze maatregelen genomen worden op een manier dat niet alleen vrouwen moeten kiezen voor arbeidstijdvermindering in functie van het gezin. Ook moet blijvende aandacht gaan naar een goede, flexiebele en betaalbare kinderopvang.

Het Adviescomité dringt erop aan dat de regering de reeds genomen initiatieven omtrent sociale rechten van onthaalmoeders zo snel mogelijk finaliseert, zodanig dat duidelijkheid geschapen wordt inzake sociale rechten van de onthaalmoeders.

3.1.6. Doelgroepen

Het Adviescomité vraagt dat de minister belast met het Gelijkekansenbeleid bijzondere aandacht blijft hebben voor de specifieke noden van vrouwen uit ethnische minderheidsgroepen. Daarbij vraagt het bijzondere aandacht voor de gedwongen en de schijn-huwelijken.

Een specifieke nood van de allochtone vrouwen is dat de allochtone vrouwenverenigingen onvoldoende geďntegreerd zijn in de koepels van de vrouwenvereniginge. De allochtone vrouwenverenigingen hebben nood aan zowel financiële als kennisoverdragende ondersteuning. Overdracht van know-how van de autochtone vrouwenverenigingen is in deze onontbeerlijk.

Het Adviescomité verheugt er zich over dat de minister specifiek aandacht zal besteden aan de problemen waarmee vrouwelijke asielzoekers worden geconfronteerd.

Het Adviescomité is verheugd dat een aanbeveling van vorig jaar gerealiseerd is, namelijk de weglating van de vermelding van de burgerlijke stand op de identiteitskaarten, waarbij « verstoting » ook is weggevallen, hetgeen denigrerend ervan werd door de Maghrebijnse vrouwen.

3.1.7. Internationale dimensie

Overeenkomstig de Europese richtlijnen, en met name richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwenlijke werknemers, die steeds aangevuld is, dienen indicatoren ontwikkeld te worden waarbij de loonkloof tussen de mannen en vrouwen voor het hetzelfde werk beter gemeten wordt. De inspanningen op het vlak van de functieclassificatie hangen hiermee samen. Het geheel moet kaderen in een beleid om alle discriminatie op het werk te bestrijden.

In het kader van het Europese voorzitterschap zal België een top organiseren omtrent de migratie. In dat kader dient er ook voldoende aandacht te gaan naar de vrouwen in zowel asiel- als migratiecontext. Het Adviescomité zal hieromtrent ook een initiatief nemen om de situatie van de vrouwen in de asielprocedure onder de aandacht te brengen.

Van het voorzitterschap dient gebruik te worden gemaakt om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen uit te breiden naar Euromed-projecten, die overgenomen kunnen worden op het niveau van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken.

3.2. Instrumenten en structuren

Hieronder bespreken we enkele instrumenten en structuren die de overheid ter beschikking heeft om het materieel beleid uit te voeren. Deze instrumenten zijn ten behoeve van alle ministers.

3.2.1. Statistieken en wetenschappelijk onderzoek

Het departement gelijke kansen financieert jaarlijks wetenschappelijk onderzoek. Het Adviescomité zou graag geďnformeerd worden over de studies die worden uitgevoerd en wenst een kopie van het eindverslag van de afgeleverde studies te ontvangen.

Er is grote nood aan cijfermateriaal in alle domeinen, ook op het gebied van gelijke kansen. Het Adviescomité drukt de wens uit dat er hier werk van wordt gemaakt.

3.2.2. Budget

Het Adviescomité voor gelijke kansen van mannen en vrouwen betreurt dat het bedrag van het budget voor gelijke kansen relatief beperkt is.

Op een bedrag van 110 miljoen worden slechts 70 miljoen feitelijk besteed aan specifieke projecten die bedoeld zijn om de gelijkheid van kansen te waarborgen; de rest gaat naar werkingskosten.

Het Adviescomité neemt er evenwel akte van dat een jaarlijkse verhoging van het budget tot het einde van de legislatuur is gepland.

3.2.3. Administratie ­ Raad van gelijke kansen

Het Adviescomité meent dat de Raad van gelijke kansen een belangrijk instrument binnen het gelijkekansenbeleid is. Nochtans blijkt dat deze Raad op beleidsniveau meermaals ondergewaardeerd wordt. Bovendien onderstreept het Adviescomité nogmaals (conform advies van 28 maart 2000) dat de Raad over zeer weinig financiële middelen beschikt en aldus bepaalde projecten niet kan uitvoeren. Het Adviescomité pleit voor een herwaardering van de Raad en meent dat de Raad als adviesorgaan moet ondersteund en gestimuleerd worden door bekwame en deskundige personeelsleden. Het is belangrijk dat deze personen toekomstperspectieven hebben en zich niet geremd weten in hun loopbaan omdat zij zich bezighouden met gelijke kansen, wat in het verleden vaak het geval is geweest.

Ter bevordering van de mainstreaming moeten alle ministers een beroep doen op deze raad. De Raad moet ten opzichte van de andere departementen een bepaald gezag genieten.

3.2.4. Peking-Rapportage

De regering heeft zich verbonden naar aanleiding van de Peking-Wereldvrouwenconferentie jaarlijks een verslag uit te brengen in het Parlement. Het initiatief van vorig jaar bleek zeer interessant en moet aanzetten tot verdere inspanningen in die richting.

Het Adviescomité hecht veel belang aan het volgende jaarlijkse verslag van de regering dat volgens de minister zou gaan over de uitvoering van het strategisch plan dat de regering heeft opgesteld en over de werking van de maintreamingsstructuur.

De regering dient haar rapportage zodanig te structureren dat jaarlijkse beleidsaanvullingen en op te volgen thema's gemakkelijk terug te vinden zijn.

Dit verslag dient op de website van de regering consulteerbaar te zijn.

3.2.5. Emancipatieeffectrapportage

De emancipatieeffectrapportage heeft nood aan een wettelijk kader en de regering moet daar werk van maken. Het Adviescomité pleit voor het ontwikkelen en strategisch verplicht toepassen van een dergelijke emancipatieeffectrapportage. De al eerder aangekondigde mainstreamingscel van de minister zou dit functie kunnen vervullen.

3.2.6. Benchmarking

Het Adviescomité meent dat het specifieke gelijkekansenbeleid aandacht dient te besteden aan « benchmarking ». Om een beleid te ontwikkelen dat werkelijk rekening houdt met mannen en vrouwen zou het goed zijn om concrete voorbeelden te hebben van waar het om gaat. In navolging van initiatieven zoals de « good practices » van de Europese Commissie, kan er een verslag opgemaakt worden van strategische initiatieven. Een jaarlijks gecoördineerd verslag van de activiteiten op gendermainstreaming en wegwerken van discriminaties zou wenselijk zijn samen met de aanbevelingen voor het toekomstige jaar. Dit kan zelfs gekoppeld worden aan de jaarlijkse verplichte verslaggeving van de regering in het kader van de Peking-Wereldvrouwenconferentie.

In alle specifieke domeinen die te maken hebben met gelijkekansenbeleid (geweld, arbeid, beslissingen, ...) zou er gewerkt moeten worden op basis van indicatoren en een timing. Op die manier kan ieder jaar een specifieke afdeling van het Peking-verslag de balans opmaken van de verwezenlijkingen in het voorbije jaar, van de leemtes in het beleid en van de indicatoren die ontwikkeld moeten worden.

3.2.7. Nederlandstalige Vrouwenraad en Conseil des femmes francophones

Het verheugt het Adviescomité dat de Nederlandstalige Vrouwenraad en de Conseil des femmes francophones voor de allereerste keer in de begroting zijn opgenomen en subsidies krijgen.

Het bedrag van de subsidies voor de vrouwenraden zou omhoog kunnen, zodat het binnen drie tot vier jaar evenveel bedraagt als het bedrag dat de VZW « Sophia » krijgt. Het financiëringsproces zou stapsgewijs kunnen verlopen, op basis van een soort overeenkomst die kwaliteitseisen oplegt.

3.2.8. Amazone bis

Het verheugt het Adviescomité dat er aandacht besteed wordt aan Amazone bis door de Regie der Gebouwen. Het Adviescomité vraagt de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties de steun aan dit project in te schrijven in zijn strategische doelstellingen voor gelijke kansen en dus hiervan bewust een beleidspunt te maken. Het Adviescomité zal in het najaar een bezoek brengen aan Amazone en een rapport wijden aan de werking ervan.

3.2.9. Politieke vrouwengroepen

De aanwezigheid van een actieve autonoom-politieke vrouwenorganisatie, erkend door de partij en ingebed in een informeel netwerk van vrouwengroepen, speelt een doorslaggevende positieve rol. De resultaten op het gebied van paritaire democratie in de Scandinavische landen worden grotendeels verklaard door het bestaan van dergelijke actieve politieke vrouwengroepen in de partijen.

Politieke vrouwengroepen hebben een belangrijke functie in de toename van vrouwen aan de politieke besluitvorming : zij spelen een cruciale rol wat betreft « recrutering » en begeleiding van vrouwen. De politieke vrouwengroepen hebben nood aan een financiële ondersteuning. Het Adviescomité suggereert om de wet op de financiering van de politieke partijen aan te passen opdat de vrouwengroepen van de respectieve partijen structureel ondersteund worden.

3.2.10. Informatica : subsidiëring

Er wordt een half miljoen uitgetrokken voor informaticauitgaven. Dat is positief, maar in een dergelijk domein volstaat de stijging van het budget niet om de snelle technologische vooruitgang bij te benen. Het aandeel van de vrouwen aan deze technologische vooruitgang dient in het oog gehouden te worden.

4. BESLUIT

In het algemeen dient te worden opgemerkt dat de door de ministers genomen maatregelen te veel kaderen in de sfeer van arbeid en de combinatie van arbeid en gezin. Andere aspecten zoals gezondheid, mobiliteit, milieu en duurzame ontwikkeling die ook een gender-sensitive aanpak vergen komen minder aan bod. Deze thema's zullen dan onder de aandacht gebracht worden bij het organiseren van de hoorzittingen in het kader van het volgende verslag van het Adviescomité omtrent de beleidsintenties van de regering.

Tot slot vermeldt het Adviescomité in zijn besluit enkele aandachtspunten die het op korte termijn zal opvolgen :

1. De werking en opvolging van de mainstreamingscel is belangrijk, daarom zal het Adviescomité bijzonder aandachtig de ontwikkelingen hieromtrent volgen en voor zover nodig bijsturen;

2. De loonkloof tussen mannen en vrouwen voor gelijke arbeid dient zo snel mogelijk weggewerkt te worden. Het Adviescomité neemt zich voor om op korte termijn, in samenwerking met het Adviescomité voor maatschappelijke emancipatie van de Kamer, een initiatief te nemen in verband met dit thema;

3. De cel gelijke kansen binnen het « Copernicusplan » verdient bijzondere aandacht vermits zij nog in haar kinderschoenen staat. De nodige bijsturing en overleg dienen te worden georganiseerd;

4. De emancipatie-effectrapportage is noodzakelijk om een betere wetgeving tot stand te brengen. Zeker in onze wetgevende instelling kan dit een belangrijk instrument zijn. Een snelle realisatie ervan moet dan ook worden bewerkstelligd.

IV. STEMMINGEN

Het advies werd éénparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.

Dit verslag werd éénparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitter,
Mimi KESTELIJN-SIERENS.
Magdeleine WILLAME-BOONEN.
Meryem KAÇAR.
Iris VAN RIET.


BIJLAGE I


Politieke nota van mevrouw Onkelinx,
minister van Gelijke-Kansenbeleid

Wat men het « proces van Peking » noemt heeft ruimschoots bijgedragen tot het feit dat de termen « gelijke-kansenbeleid » een nieuwe inhoud kregen. De aanpak op het vlak van de genderdimensie, waardoor elke maatregel of elk programma bestudeerd en geanalyseerd wordt op basis van een mogelijke verschillende impact op mannen en vrouwen, wordt voortaan in beschouwing genomen. Men zal in dit opzicht aanstippen dat de ministers, elk voor de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn, een strategische doelstelling hebben bepaald waarvan de opvolging moet uitmonden in reële stappen voorwaarts wat de gelijkheid van mannen en vrouwen betreft. Er zal een structuur opgezet worden die belast wordt met de opvolging van de verwezenlijking van deze doelstellingen.

De Federale beleidsverklaring die aan de Kamer werd voorgesteld door de eerste minister op 17 oktober 2000, getuigt van de bezorgdheid om bij de verdeling van de beschikbare middelen rekening te houden met de verschillende realiteiten die onze medeburgers kennen naargelang zij man of vrouw zijn. De verklaring bevat eveneens een bepaald aantal maatregelen ten gunste van de gelijkheid, bijvoorbeeld inzake uitkeringen en sociale prestaties, individualisering van de rechten, bestrijding van werkloosheidsgevallen, vereenvoudiging en humanisering van de werkloosheidsreglementering, aanpassing en verkorting van de werktijd fiscaliteit, ...

De specifieke acties dienen evenwel voortgezet te worden, of zelfs uitgebreid. De begroting van de gelijke kansen bedraagt zowat 110 miljoen. Zij zal een aangroei kennen met 10 % in 2001.

De strijd tegen het geweld zal tijdens het komende jaar deel uitmaken van de prioriteiten van het departement. Het is inderdaad onontbeerlijk dat België voor zichzelf een algemeen plan voor de bestrijding van het geweld opstelt, een plan dat rekening houdt met geweld op de werkvloer, het geweld in de stad en in de gemeenschap, het lichamelijke en seksuele geweld, de mensenhandel en de prostitutie. Het opstellen van dit plan zal een samenwerking vereisen tussen de betrokken federale departementen, maar ook met de gemeenschappen en de gewesten, binnen de interministeriële conferentie over de gelijkheid van de kansen.

Op het vlak van het geweld, zoals op andere vlakken, dienen de associatieve kringen en de NGO's nauwer betrokken te worden. Om die reden zullen de twee raden die aan Nederlandstalige en aan Franstalige kant de vrouwenverenigingen federeren, een werkingstoelage genieten. Het gaat om de Nederlandstalige Vrouwenraad en om de Conseil des femmes francophones de Belgique.

Het versterken van de economische positie van de vrouwen blijft een prioriteit die nog steeds actueel is.

Ik wens er in de eerste plaats aan te herinneren dat vrouwen kwetsbaarder zijn dan mannen. Zij vormen bijgevolg een doelgroep in het Nationaal actieprogramma voor de bestrijding van de armoede.

Ik moet hier nog terugkomen op de reeds aangehaalde maatregelen die slaan op de herintredende vrouwen en de bestrijding van de werkloosheidsgevallen : versterking van de activeringen ten gunste van de werklozen, hervorming van het educatief verlof om hun toegang ertoe van de halftijdse werknemer mogelijk te maken, het invoeren van een portefeuille met bekwaamheden/bevoegdheden om de inspanningen te versterken inzake opleiding, het vastleggen van een reglementair kader met als bedoeling de promotie van het alternerend leren en werken, de oprichting van een fonds binnen de kennismaatschappij, net als het treffen van maatregelen om de toegang van vrouwen tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën te verbeteren.

De inspanningen die werden ondernomen inzake een neutrale functieclassificatie wat het geslacht betreft zullen worden voortgezet, meer bepaald binnen de programmering van het Europees Sociaal Fonds 2000-2006 en van het nieuwe interprofessioneel akkoord voor 2001-2002. Er zullen nieuwe intitatieven worden genomen, meer bepaald op basis van de adviezen van de Nationale Arbeidsraad.

De regering heeft nog een reeks maatregelen getroffen voor de versterking van het gelijke-kansenbeleid voor mannen en vrouwen binnen haar Nationaal actieplan voor de werkgelegenheid (toegang tot de nieuwe technologieën, aanpassing van de werktijd, ondersteuning van het vrouwelijk ondernemerschap ...) en in haar programmering van het Europees Sociaal Fonds 2000-2006.

De kwestie van de bestrijding van de ondertewerkstelling is essentieel. Die van de verzoening beroepsleven/gezinsleven is dat evenzeer en moet tegelijkertijd bekeken worden. Er worden antwoorden bezorgd via onder meer de vermindering van de arbeidstijd tot 38 uur, de invoering van de vierdaagse werkweek, het tijdkrediet en de tijd-spaarrekening.

Kinderopvang speelt een uiterst belangrijke rol. De regering heeft in een hervorming voorzien van het vaderschapsverlof die een vader in staat zal stellen zeven bijkomende verlofdagen op te nemen bij de geboorte van zijn kind. Men kan hopen dat die hervorming zal overkomen als een duidelijk signaal voor een betere verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden. Nog op het vlak van de opvang heeft de regering de reorganisatie voorzien, in overleg met de gefedereerde entiteiten van het statuut van de omkaderde kinderoppassers.

De regering wil ook nog de formele of feitelijke ongelijkheden aanpakken die men vindt in de sociale en in het fiscale recht. Aldus zal de regering meer bepaald een sociaal statuut opstellen voor de echtgenoten-helpers/helpsters. Doorgaans zijn dit vrouwen.

Op Europees niveau werden verschillende krachtlijnen vastgelegd voor het toekomstige Belgische voorzitterschap.


Deze tabel is beschikbaar op papier blz. 41.

Deze tabel is beschikbaar op papier blz. 42.


BIJLAGE II


HERINTREDERS EN
HERINTREEDSTERS

Volgens het antwoord van de regering op de voorstellen van de sociale partners inzake de strijd tegen de banenvallen, kunnen herintreders alsook personen die volgens artikel 80 als werklozen werden geschrapt, een beroep doen op alle tewerkstellingsprogramma's waardoor de werkgever een lagere socialezekerheidsbijdrage verschuldigd is.

Herintre(e)d)(st)ers

1) Voorwaarden

De personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt moeten gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :

­ op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;

­ zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de hierboven vermelde periode;

­ zij zijn op het opgenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende.

2) Regelingen

De herintreders die aan de sub 1 vermelde voorwaarden beantwoorden behoren tot het toepassingsgebied van de regelingen voordeelbanenplan, plus-1-plan, plus-2-plan en plus-3-plan, loopbaanonderbreking en invoeginterim.

Opmerking

In de regeling conventioneel brugpensioen komen de herintreders ook voor, maar onder andere voorwaarden. Het gaat om de werkzoekende, ingeschreven bij één van de subregionale tewerkstellingsdiensten van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling, die wensen terug te keren op de arbeidsmarkt na hun beroepsactiviteit als loontrekkende te hebben onderbroken om zich te wijden aan :

1ş ofwel de opvoeding van hun kinderen, de kinderen van hun echtgenoot of deze van de persoon met wie ze samenwonen;

2ş ofwel de verzorging van hun vader en/of hun moeder, deze van hun echtgenoot of deze van de persoon met wie ze samenwonen.

Om tot deze categorie te behoren moet de werkzoekende een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van persoonlijke en patronale socialezekerheidsbijdragen.

De periodes van loopbaanonderbreking in toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 worden hier niet beschouwd als onderbreking van de beroepsactiviteit.


BIJLAGE III


BUDGET VAN HET GELIJKEKANSENBELEID 2000,
BUDGETTAIRE TOELAGE 12.33
(OVEREENKOMSTEN DIE DE BEDOELING
HEBBEN MANNEN EN VROUWEN
GELIJKE KANSEN TE GEVEN)

Studies die afgewerkt zijn of waaraan nog wordt gewerkt

­ Overeenkomst voor de realisatie van een studieopdracht betreffende het dagelijks leven en de gezondheid van gezinnen die geconfronteerd worden met onzekerheid, meer bepaald van éénoudergezinnen (Service de sociologie générale et de sociologie de la famille, ULg, mei 2000-mei 2001, 2,7 miljoen).

­ Overeenkomst voor de realisatie van een studie over het gerechtelijk beleid op het vlak van seksueel en fysiek geweld (Afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie, KUL/Centre de sociologie du droit pénal, ULB, december 2000-november 2001, 4,5 miljoen).

­ Evaluatie van 10 jaar gelijkekansenbeleid, VZW Altera Vox (december 1999, 2,5 miljoen).

­ Evaluatie van het sociaal beleid met betrekking tot het geslacht, die in boekvorm zal worden gepubliceerd onder de titel « Les politiques sociales ont-elles un sexe » (Éditions Labor, 300 000 frank).

­ Oprichting van een mainstreamingcel om de regering te voorzien van een ontwerp-, opleidings-, bijstands- en begeleidingsstructuur zodat ze haar verbintenissen op het vlak van gelijkheid kan nakomen (cf. regeringsverslag over de follow-up van het actieplatform van Peking) (Coördinatie : ULg, partnership tussen ULg, VUB, ULB, UCL en UIA) (december 2000-november 2001, 6,5 miljoen).

­ Oprichting van een leerstoel « vrouwenstudies/genderstudies » in drie Franstalige universiteiten (ULB, UCL, ULg)om zo opnieuw tot een evenwicht te komen tussen de verschillende projecten, die momenteel vooral aan Vlaamse kant lopen, en vervolgens de verschillende bestaande netwerken voor vrouwenstudies van het land te kunnen federaliseren met het oog op een grotere zichtbaarheid en een betere thematische coördinatie (900 000 frank).


BIJLAGE IV


UITBREIDING GEBOUWEN AMAZONE

Oprichtings- en renovatiewerken

Middaglijnstraat 22 ­ 1210 Brussel

22.0235$/R.17.21014

BESCHRIJVING ­ BEGROTING ­ VOORONTWERP

Het achterste gedeelte (de nieuwbouw) ­ Gebouw D

­ Kelder (27 m2 bruto)

· Technische installaties hydraulische lift van 8 personen

­ Gelijkvloers (507 m2 bruto) + Patiotuin (85 m2) + Verbindingstuin (240 m2)

· Grote inkomhal (polyvalente ruimte) ­ hoofdtrap naar de eerste verdieping

· Onthaal ­ secretariaat

· Foyer (cafetaria) met berging en patiotuin

· Keuken (+ bar naar foyer)

· Vestiaire in zelfbediening

· Sanitair dames, heren en gehandicapte

· Twee noodtrappen ­ lift toegankelijk voor een gehandicapte

Toegang is mogelijk langs de Middaglijnstraat nr. 10 doorheen een aangelegde tuin die als verbinding fungeert tussen de verschillende gebouwen.

­ Eerste verdieping (507 m2 bruto ­ 16 m2 vide)

· Verbindingshal ­ hoofdtrap naar het gelijkvloers

· Conferentiezaal (auditorium voor ongeveer 200 personen)

· Projectiecabine ­ sanitair sprekers

· Drie tolkencabines voor simultaanvertaling met verpozingsruimte

· Twee noodtrappen ­ lift toegankelijk voor een gehandicapte

· Bergingslokaal ­ Technische ruimte ­ Vide naar de inkomhal op het gelijkvloers

­ Tweede verdieping (482 m2 bruto ­ 82 m2 vide)

· Vide naar de conferentiezaal

· Vier vergaderzalen (van twee zalen kan één grote zaal gemaakt worden)

· Sanitairen

· Kitchenette

· Technisch lokaal

· Kleine hal met gangen

· Noodtrap en lift toegankelijk voor een gehandicapte

· Nooduitgang naar het gebouw B (Amazone I)

­ Zijn niet voorzien

· Aula- en podiumuitrustingen

· Keuken- en baruitrustingen

· Vestiaire-uitrustingen

· Meubeluitrustingen (bar, foyer, onthaal, enz.)

­ Raming der werken (voor 1 450 m2 bruto) :

· Afbraak en herstel muren : 1,8 miljoen;

· Grondwerken + stabiliteitswerken : 12,5 miljoen;

· Metselwerk en afwerkingen : 12,3 miljoen;

· Sanitaire werken : 1,8 miljoen;

· Elektriciteitswerken + aanp. hoogsp. cabine : 4,7 miljoen;

· Telefoon- en data-installaties : 0,6 miljoen

· Liftinstallatie : 2,2 miljoen;

· Verwarming en verluchting (HVAC) : 6,1 miljoen;

· Buitenomgeving en tuinaanleg : 1,0 miljoen;

· Erelonen : 3,3 miljoen;

· BTW : 9,7 miljoen;

· TOTAAL : 56,0 miljoen frank.

Het voorste gedeelte (de renovatie) ­ gebouw C

­ Kelderingen (187 m2 bruto)

Ruwbouw en afwerken van :

· Technische lokalen inrichten (HVAC, sanitair, elektriciteit)

· Aanpassing trap naar gelijkvloers

· Liftkoker met liftput

· Leidingenkoker naar achteraan

· Opfrissen en aanpassen bergingen

· Veiligheidswerken

­ Gelijkvloers (205 m2 bruto)

Renovatie en aanpassingen van :

· Restauratie monumentale inkom

· Aanpassing trap naar kelderingen

· Inrichten van sanitairen

· Aanpassen traphal

· Inrichten liftkoker

· Noodtrap (?) + ontvangst (?)

· Restauratie lokalen en opfrissen ervan

­ Eerste verdieping (214 m2 bruto)

Renovatie en aanpassingen van :

· Restauratie van de lokalen aan de voorgevel

· Opfrissen van de andere lokalen

· Aanpassen traphal

· Inrichten liftkoker

· Sanitair aanpassen

· Noodtrap (?)

­ Tweede verdieping (214 m2 bruto)

Renovatie en aanpassingen van :

· Opfrissen van de lokalen

· Aanpassen traphal

· Inrichten liftkoker

· Sanitair aanpassen

· Inrichten trap naar derde verdieping

· Noodtrap (?)

­ Derde verdieping (175 m2 bruto)

Renovatie en aanpassingen van :

· Realisatie van drie dakkapellen in de straatgevel

· Nieuwe inrichting van alle lokalen

· Sanitair in te richten

· Inrichten van de trap naar de tweede verdieping

· Aanpassen traphal met toegangstrap naar de zolder

· Inrichten liftkoker

· Noodtrap (?)

­ Zolder (80 m2 bruto)

Renovatie en aanpassingen van :

· Inrichten machinekamer lift

· Trap naar de derde verdieping

· Opfrissen van de overblijvende ruimte

­ Algemeen

· De vensterramen en de rolluiken van de voorgevel in orde te stellen

· De voorgevel moet opnieuw geschilderd worden (+ licht herstel pleisterwerk)

· De achtergevel moet vervangen worden door een nieuwe gordijngevel (« structural glazing »)

· Daken, goten en waterafvoer in orde te stellen

· Verwarmings- en verluchtingsinstallatie te vernieuwen

· Elektrische installaties te vernieuwen

· Telefoon- en data-installaties te plaatsen

· Sanitaire aflopen te vernieuwen

­ Raming der werken (voor 1 100 m2 bruto) :

· Kelderingen : 0,7 miljoen;

· Gelijkvloers : 0,8 miljoen;

· Eerste verdieping : 0,6 miljoen;

· Tweede verdieping : 0,8 miljoen;

· Derde verdieping : 1,3 miljoen;

· Zolder en daken : 0,8 miljoen;

· Achtergevel (wegnemen + nieuwe) : 2,0 miljoen;

· Gevels (schilderwerken) : 0,2 miljoen;

· Sanitaire werken : 1,2 miljoen;

· Elektriciteitswerken : 2,0 miljoen;

· Telefoon- en data-installaties : 0,2 miljoen;

· Liftinstallatie : 2,0 miljoen;

· Verwarming en verluchting : 1,9 miljoen;

· Erelonen : 1,2 miljoen;

· BTW : 3,3 miljoen;

· TOTAAL : 19,0 miljoen frank;

Totale raming

75 miljoen ­ erelonen ontwerpers en BTW inclusief.


(1) De begroting van het departement « Gelijke Kansen » en de beleidsnota van mevrouw Onkelinx, minister bevoegd voor Gelijke Kansen, is opgenomen als bijlage I.

(2) Zie bijlage II.

(3) Deze lijst is opgenomen in bijlage III.

(4) Niveau 0 komt in het huidige systeem overeen met de secretarissen-generaal, niveau -1 betreft de directeurs-generaal van grote diensten, terwijl niveau -2 de directeurs-generaal van kleine diensten betreft.

(5) Deze nota gaat als bijlage IV.

(6) Advies betreffende het voorstel van resolutie betreffende de gelijke kansen voor vrouwen en mannen bij de reorganisatie van de politie en het voorstel van resolutie betreffende het vaststellen van een bijzondere procedure om naar aanleiding van de politiehervorming vrouwelijke politieagenten in dienst te nemen, Stuk Senaat, nr. 1-754/4, 1997-1998.