2-133/1 | 2-133/1 |
28 OKTOBER 1999
1. 0,7 % : een realistische utopie
Een bijdrage leveren aan de evenwichtige en duurzame ontwikkeling van onze mensheid is geen utopie. De armoede uit de wereld helpen evenmin. In het rapport 1997 met de titel « Le développement humain au service de l'éradication de la pauvreté » geeft het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) een algemeen overzicht van de strijd die op wereldvlak tegen de armoede gevoerd wordt en de sucessen die op dit gebied geboekt worden. Het UNDP heeft in het rapport duidelijk beklemtoond dat deze doelstelling weliswaar buitengewoon hoog mikt maar dat het doel perfect binnen ons bereik ligt.
Het UNDP verklaart dat de vooruitgang die men in de loop van de 20e eeuw gemaakt heeft om de armoede terug te dringen, indrukwekkend en zonder precedent is... Nochtans zijn weinig mensen zich bewust van de immense vorderingen die reeds gemaakt zijn. In de loop van de jongste 50 jaar is de armoede meer dan in de voorgaande eeuwen afgenomen. Dit fenomeen heeft zich op een of andere wijze voorgedaan in bijna alle landen van de wereld.
De snelle vooruitgang van de laatste decennia blijkt uit de voornaamste indicatoren van de menselijke ontwikkeling. Zo is het sterftecijfer bij kinderen in ontwikkelingslanden sinds 1960, in iets meer dan één generatie tijd, tot minder dan de helft gedaald. Tegelijkertijd is het aantal ondervoede mensen met bijna een derde gedaald. Het percentage van de kinderen die geen toegang hebben tot de basisschool, is gedaald van meer dan de helft tot minder dan een vierde. En ten slotte is het aantal plattelandsgezinnen die niet over drinkwater beschikken, gedaald van 90 % tot ongeveer een kwart.
Zo zijn China en nog veertien andere landen, samen goed voor een totale bevolking van meer dan 1,6 miljard mensen, erin geslaagd in minder dan 20 jaar tijd het aantal inwoners dat onder de inkomens- en armoedegrens leeft, procentueel met de helft te verminderen.
Aan het einde van de 20e eeuw zullen de levensomstandigheden voor 3 tot 4 miljard personen aanzienlijk verbeterd zijn en zullen 4 tot 5 miljard personen lager onderwijs hebben genoten en toegang hebben tot elementaire gezondheidsvoorzieningen. Juist uit deze vooruitgang blijkt dat de mogelijkheid bestaat om de armoede uit te roeien en dat dit meer is dan alleen maar een « mooie droom » zoals sommigen beweren.
Maar de vooruitgang verloopt ongelijk en wordt vaak tenietgedaan door terugslagen. Armoede komt dan ook nog vrij veel voor.
Zo leven meer dan een kwart van de bewoners van de ontwikkelingslanden nog in absolute armoede. En ongeveer een derde van deze bewoners dit zijn 1,3 miljard mensen moeten genoegen nemen met een inkomen van minder dan 1 $ per dag.
De meeste personen die onder deze zogenoemde menselijke armoede lijden, bevinden zich in Zuid-Azië, en dit lang voordat de regio door de crisis getroffen werd. In deze regio treft men ook het grootste aantal mensen aan die door hun laag inkomen in armoede leven : 515 miljoen. Op het wereldtotaal van 1,3 miljard armen die onder de inkomensgrens vallen, bevinden er zich zowat 950 miljoen in Zuid-, Oost- en Zuidoost-Azië en in de Pacific.
In Zwart-Afrika vindt men anderzijds het hoogste percentage armen en groeit de menselijke armoede het sterkst. Zowat 220 miljoen mensen vallen er overigens onder de inkomensgrens. In werkelijkheid neemt de armoede in Zwart-Afrika duidelijk uitbreiding en in vele andere landen die vaak tot de minst ontwikkelde landen behoren : volgens schattingen zullen de helft van de inwoners van Zwart-Afrika tegen het jaar 2000 onvoldoende inkomen hebben en in armoede leven.
De landen van Oost-Europa en van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) zijn er in de loop van de laatste tien jaar het sterkst op achteruitgegaan. Aanvankelijk leefde er slechts een klein gedeelte van de bevolking onder de armoedegrens, die gebaseerd is op een inkomensgrens van 4 dollar per persoon en per dag. Tegenwoordig worden zowat 120 miljoen personen, dus ongeveer een derde van de bevolking van deze landen, door armoede getroffen.
In de geïndustrialiseerde landen vallen ten slotte meer dan 100 miljoen armen onder de inkomensgrens, vastgesteld op de helft van de mediaan van de individuele inkomens. In deze landen zijn er 37 miljoen werklozen.
In zijn rapport van 1999 geeft het UNDP een overzicht van de menselijke ontwikkeling in de wereld voor de periode 1990-1997.
Op een aantal vlakken is opmerkelijke vooruitgang geboekt maar toch bestaan er volgens het rapport nog altijd schrijnende tekorten. Zo merkt men voor twee levensbelangrijke sectoren als de gezondheidszorg en het onderwijs de volgende positieve ontwikkelingen :
in 1997 bedroeg de de levensverwachting bij de geboorte meer dan 70 jaar in 84 landen, tegen 55 landen in 1990. Het aantal ontwikkelingslanden dat deel uitmaakt van deze groep, is meer dan verdubbeld, van 22 tot 49 landen. Tussen 1990 en 1997 is het aantal mensen dat over drinkwater beschikt, bijna verdubbeld, van 40 tot 72 %;
tussen 1990 en 1997 is de alfabetiseringsgraad van volwassenen gestegen van 64 naar 76 % en is de scholingsgraad voor lager en middelbaar onderwijs samen gestegen van 74 naar 81 %.
De volgende negatieve punten kunnen echter ook aangehaald worden :
tussen 1990 en 1997 hebben 1,5 miljard mensen de leeftijd van 60 jaar niet bereikt terwijl meer dan 880 miljoen mensen geen toegang hebben tot medische diensten en 2,6 miljard mensen niet over de basisgezondheidsvoorzieningen beschikken;
in 1997 waren nog altijd meer dan 850 miljoen volwassenen ongeletterd en hadden meer dan 260 miljoen kinderen geen lagere of middelbare school gelopen.
In de huidige voortschrijdende mundialisering wordt door het UNDP aanbevolen het programma voor menselijke ontwikkeling af te stemmen op zeven zeer belangrijke punten, die elk een nationaal en internationaal optreden vereisen, een evenwichtiger integratie van de wereld na te streven en de verdere marginalisering van de kleine en arme landen een halt toe te roepen.
2. 0,7 % : hoe de belofte gegroeid is
Er bestaan steeds meer verschillende financieringsvormen voor de ontwikkelingsprogramma's (1). In het midden van de jaren '80 vormde de overheidshulp nog de voornaamste financieringsbron van de ontwikkelingssamenwerking. Tegenwoordig overtreffen de bijdragen van de particuliere sector in ruime mate de overheidshulp.
De ervaring leert dat het bestaan van hoge interne spaarquoten, van efficiënte financiële systemen en het voeren van een gezond economisch beleid in de ontwikkelingslanden een zeer belangrijke rol spelen. In alle snel groeiende ontwikkelingseconomieën vormt het interne spaarwezen een van de belangrijkste motoren van de groei, vaak met de steun van buitenlandse particuliere investeringen.
In de ontwikkelingssamenwerking moet men rekening houden met deze uiterst belangrijke factoren om meer ontwikkelingslanden in staat te stellen mee te concurreren in de strijd om kapitaal en technologie. De ontwikkeling moet de autonomie ten goede komen, zodat de landen en de bevolking minder afhankelijk worden van hulp.
Desalniettemin hebben tal van arme landen gewoon geen toegang tot voldoende andere middelen om de belangen van iedereen te kunnen dienen. De bijdragen van de particuliere sector zijn sterk geconcentreerd in een beperkt aantal landen en sectoren. De kleinste en minst ontwikkelde landen slagen er nog niet in deze kapitalen aan te trekken die potentiële financieringsbronnen voor de ontwikkeling zijn.
Bovendien gaan deze particuliere geldstromen over het algemeen niet rechtstreeks naar een aantal basissectoren met prioritaire behoeften als gezondheid en onderwijs. De ontwikkeling wordt beïnvloed door leningen die tegen minder strenge voorwaarden worden verstrekt, en dit in afwachting dat deze landen over middelen beschikken om nationale hulpbronnen aan te boren en in te zetten en om privé-kapitalen aan te trekken. Verschillende arme landen met hoge schulden zullen voor hun verdere ontwikkeling ook afhankelijk zijn van internationaal gecoördineerd optreden om de ondraaglijk geworden schuldenlast te verlichten.
In zijn verklaring van 1995 over het partnerschap voor ontwikkeling heeft het Comité voor ontwikkelingshulp (DAC) van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling opnieuw de gemeenschappelijke verbintenis bevestigd om omvangrijke middelen voor ontwikkelingssamenwerking vrij te maken teneinde landen en volkeren te steunen in hun streven naar zelfredzaamheid. De Raad van de OESO heeft deze verklaring bekrachtigd in een vergadering van de ministers en heeft toegezegd ervoor te ijveren om zoveel mogelijk overheidsfondsen in te zetten en de particuliere bijdragen te bevorderen teneinde de ontwikkelingslanden te ondersteunen in hun streven naar zelfredzaamheid.
Slechts vier van de 21 lidstaten van het Comité voor ontwikkelingshulp (DAC) bereiken regelmatig de doelstelling van 0,7 % van het BNP die de Verenigde Naties in 1970 bepaald heeft voor de omvang van de officiële ontwikkelingshulp (2). Telt men de bijdragen van alle leden van het DAC samen, dan vormen die slechts 0,3 % van het BNP.
Bovendien wordt een steeds groter deel van de officiële ontwikkelingshulp sinds enkele jaren gebruikt voor humanitaire hulp en voor schuldverlichtingsoperaties en wordt de druk op de budgetten voor ontwikkelingshulp op die manier alleen maar groter. Deze verplichtingen hebben onder meer geleid tot een ongekende daling van de fondsen die voor het systeem van de Verenigde Naties en voor de multilaterale ontwikkelingsbanken bestemd zijn. Deze multilaterale instellingen blijven de hoeksteen van de inspanningen van de internationale gemeenschap om de ontwikkeling gaande te houden. De financiële moeilijkheden waarmee ze te maken krijgen, zijn zorgwekkend.
In 1992 nog hebben de ontwikkelde landen in het actieprogramma dat door de VN-conferentie voor leefmilieu en ontwikkeling (UNCED) van Rio goedgekeurd werd, opnieuw de verbintenis aangegaan om 0,7 % van hun BNP aan officiële ontwikkelingshulp te besteden het cijfer dat door de VN bepaald is en door de lidstaten aanvaard is en, indien dat nog niet gebeurd is, aanvaarden zij hun hulpprogramma's op te voeren om dit cijfer zo snel mogelijk te bereiken ... Andere ontwikkelde landen hebben in Rio aanvaard geen enkele inspanning onverlet te laten om het peil van hun bijdragen in het kader van de officiële ontwikkelingshulp op te trekken.
In de verklaringen van de OESO staat opnieuw te lezen dat de officiële ontwikkelingshulp een zeer belangrijke investering is als aanvulling op de andere middelen die aan ontwikkelingshulp besteed worden. Het spreekt vanzelf dat wij de officiële ontwikkelingshulp moeten voortzetten en opvoeren indien we de groeiende marginalisering van de armen willen tegengaan en vooruitgang willen boeken in ons streven naar realistische doelstellingen op het vlak van de menselijke ontwikkeling. Ook is het duidelijk dat onze inspanningen om het partnerschap met de ontwikkelingslanden te verstevigen elke geloofwaardigheid verliezen indien ze gepaard gaan met een inkrimping van de uitgaven en met een afnemende betrokkenheid. Een te meer wensen wij onze grote bezorgdheid te uiten over het feit dat het internationale streven naar samenwerking in deze kritieke periode zwaar te lijden heeft onder de nationale behoeften en de begrotingsdiscipline die zowel in België als in andere landen aan de orde zijn.
Op een ogenblik waarop onze mensheid haar zesmiljardste lid verwelkomt en het migratieprobleem onvermijdelijk opnieuw op de voorgrond komt, mede als gevolg van de schrijnende ongelijkheid tussen rijke en arme landen, vinden we het ten slotte evident dat onze officiële ontwikkelingshulp een rol speelt en moet spelen om opnieuw tot een evenwichtige ontwikkeling te komen en daardoor de migratiedruk te doen afnemen.
3. 0,7 % : een doelstelling voor België
Hoewel de Belgische regering in het algemeen en de partijen in het bijzonder altijd achter het engagement van Rio hebben gestaan en altijd gesproken hebben over « 0,7 % als streefdoel », hebben ze deze doelstelling nooit verwezenlijkt ondanks de inspanningen die tijdens de laatste zittingsperiode geleverd zijn. Twee redenen verklaren dit : de begrotingsdiscipline enerzijds en onaangepaste instrumenten anderzijds. Deze twee hindernissen zijn sindsdien uit de weg geruimd zodat men deze doelstelling sereen en ambitieus kan benaderen.
Op de eerste plaats neemt de druk op de begroting immers af en wordt het mogelijk ons verder in te zetten om onze officiële ontwikkelingshulp op te trekken. In de begroting voor 1999 was er reeds een stijging met 0,05 % : van 0,31 naar 0,36 %. Indien we dit tempo aanhouden, zal de doelstelling snel bereikt zijn ! Houden we rekening met een jaarlijkse stijging met 2,3 tot 2,5 % van ons BBP een realistische raming dan kunnen we over aanzienlijke begrotingsruimte beschikken die we met name moeten besteden aan het bereiken van de 0,7 %-norm. Nemen we als basis de 0,36 % van de begroting voor 1999, dan moeten we een plan voor officiële ontwikkelingshulp opstellen waarbij we jaarlijks een systematische stijging met 0,05 % realiseren en zo de 0,7 %-norm halen voor het begrotingsjaar 2007.
Op de tweede plaats beschikken we thans over de instrumenten die het mogelijk maken deze stijging (verdubbeling) van de officiële ontwikkelingshulp te beheren. Met de twee wetten tot oprichting van de Belgische Technische Coöperatie waarin de Belgische internationale samenwerking (criteria en doelstellingen) duidelijk omschreven is, heeft ons land geen excuses meer om zijn achterstand terzake niet in te lopen.
Daarom stellen wij voor dat het Belgische Parlement zijn verantwoordelijkheid neemt zoals het (op bescheidener schaal) gedaan heeft voor het Belgische Overlevingsfonds en aan de regering een nauwkeurig en bindend tijdschema voorstelt opdat deze de in ons aller naam aangegane verbintenis naleeft.
| Georges DALLEMAGNE. |
De Senaat,
A. Overwegende dat de menselijke ontwikkeling op de eerste plaats bedoeld is om de armoede uit de wereld te helpen en dat deze doelstelling duidelijk binnen ons bereik ligt;
B. Overwegende dat de laatste vijftig jaar een indrukwekkende vooruitgang geboekt is in het terugdringen van de armoede;
C. Overwegende dat deze vooruitgang niet gelijkmatig verlopen is en dat de armoede nog erg verspreid blijft;
D. Overwegende dat de ontwikkelde landen de door de Verenigde Naties bepaalde verbintenis hebben aangegaan om 0,7 % van hun BNP te besteden aan de uitgaven voor officiële ontwikkelingshulp zoals die is omschreven door het Comité voor ontwikkelingshulp van de OESO en dat België zich daarbij heeft aangesloten op de Conferentie van de Verenigde Naties over leefmilieu en ontwikkeling die in 1992 te Rio plaatsgevonden heeft;
E. Overwegende dat de scheefgetrokken verhoudingen tussen rijke en arme landen een belangrijke invloed uitoefenen op de migratiestromen;
F. Overwegende dat de Belgische overheidsschuld in het algemeen positief evolueert en dat er zo ruimte vrijkomt op de rijksbegroting;
G. Overwegende dat onze internationale samenwerking over nieuwe instrumenten bechikt in de vorm van de twee wetten tot oprichting van de Belgische Internationale Samenwerking, waarin de internationale samenwerking van België duidelijk omschreven wordt;
verzoekt de regering :
1. de bilaterale en multilaterale werking van onze officiële ontwikkelingshulp toe te spitsen op een programma voor menselijke ontwikkeling, om het proces van marginalisering van de arme landen tegen te gaan;
2. de belofte te verwezenlijken die op de conferentie van Rio aangegaan is om uiteindelijk 0,7 % van het BNP voor officiële ontwikkelingshulp te bestemmen en een duidelijk plan op te stellen dat voorziet in een systematische jaarlijkse stijging met 0,05 % van de omvang van onze officiële ontwikkelingshulp, zoals hierna is aangegeven :
| Begrotingsjaar | % van het BNP voor officiële ontwikkelingshulp |
| 1999 | 0,36 |
| 2000 | 0,41 |
| 2001 | 0,46 |
| 2002 | 0,51 |
| 2003 | 0,56 |
| 2004 | 0,61 |
| 2005 | 0,66 |
| 2006 | 0,71 |
| Georges DALLEMAGNE. |
(1) Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, Comité voor ontwikkelingshulp, Le rôle de la coopération pour le développement à l'aube du XXI e siècle , mei 1996.
(2) Het gaat om de volgende vier landen : Noorwegen, Denemarken, Zweden en Nederland.