1-27/1 | 1-27/1 |
27 JUNI 1995
De wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet voert een nieuwe procedure in tot het toekennen van betalingsfaciliteiten. Artikel 38 bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, de vrederechter betalingsfaciliteiten kan toestaan aan de consument wiens financiële toestand is verslechterd. De bedoeling van die bepaling bestaat erin een oplossing te bieden voor consumenten die met schuldproblemen te kampen hebben. Deze voor het consumentenkrediet specifieke rechtsregeling beoogt dan ook toegankelijker te zijn voor de schuldenaar dan de gemeenrechtelijke bepalingen inzake uitstel van betaling (artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1333 tot en met 1337 van het Gerechtelijk Wetboek). De toepassingsvoorwaarden zijn dan ook minder streng : de betalingsfaciliteiten kunnen reeds worden verleend van zodra de financiële toestand van de consument is verslechterd.
De toepassing van artikel 38 stuit in de praktijk echter op een aantal moeilijkheden. De procedureregels die moeten worden gevolgd wanneer een vordering op grond van deze bepaling wordt ingeleid, zijn vervat in het nieuwe hoofdstuk XIVbis dat door dezelfde wet van 12 juni 1991 in deel IV, boek IV van het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd. Hoewel het de bedoeling van de wetgever was een vereenvoudigde procedure uit te werken, blijkt een zeker formalisme van de procesregels in vele gevallen een vordering op grond van artikel 38 te doen stranden.
Dit wetsvoorstel beoogt de drempel voor het inleiden van een vordering tot het bekomen van betalingsfaciliteiten inzake het consumentenkrediet te verlagen. Daartoe worden een aantal wijzigingen van de voorschriften inzake de rechtspleging voorgesteld.
Artikel 2
Artikel 1337bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtspleging slechts kan worden ingeleid nadat de schuldeiser geweigerd heeft betalingsfaciliteiten toe te staan. De schuldenaar moet daartoe een aanvraag tot de schuldeiser richten bij ter post aangetekende brief met vermelding van de redenen. Niet-naleving van deze vereiste blijkt in vele gevallen de toegang tot de procedure te verhinderen. Voorgesteld wordt om de desbetreffende bepalingen te schrappen.
Artikel 3
Artikel 1337ter van het Gerechtelijk Wetboek bevat de bepalingen betreffende het verzoekschrift en de wijze van neerlegging daarvan.
In de huidige formulering worden de verplichte vermeldingen in het verzoekschrift op straffe van nietigheid voorgeschreven.
Voorgesteld wordt deze sanctie weg te laten : het is niet aangewezen de procedure zonder meer te doen stranden omwille van de niet-naleving van bepaalde vormvereisten. In plaats daarvan wordt slechts in een schorsing van de procedure voorzien (cf. artikel 3).
In een nieuwe § 3 wordt de bepaling van het huidige artikel 1337quater opgenomen, waardoor bij het verzoekschrift een afschrift van de kredietovereenkomst moet worden gevoegd. In tegenstelling tot de huidige formulering wordt deze vereiste evenwel niet op straffe van niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift voorgeschreven.
Om de toegang tot de procedure te vereenvoudigen wordt bovendien bepaald dat ter griffie van ieder vredegerecht typeformulieren van het verzoekschrift inzake deze vordering ter beschikking moeten worden gehouden. Bovendien wordt de griffier de taak opgelegd de verzoeker bij te staan met betrekking tot het nakomen van de voorgeschreven formaliteiten.
Artikel 4
In het voorgestelde nieuwe artikel 1337ter gaan de vormvereisten met betrekking tot de inleiding van de procedure niet meer gepaard met sancties van nietigheid of niet-ontvankelijkheid. Daarom wordt bepaald dat de niet-naleving van de voorwaarden van dat artikel slechts voor gevolg hebben dat de rechter de procedure schorst todat het verzoekschrift is vervolledigd of totdat de ontbrekende stukken zijn toegevoegd.
| Francy VAN DER WILDT. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 1337bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 12 juni 1991, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 3
Artikel 1337ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 12 juni 1991, wordt vervangen als volgt :
« Artikel 1337 ter. § 1. Het verzoekschrift vermeldt :
1º de dag, de maand en het jaar;
2º de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en, desgevallend, de naam, de voornaam, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
3º de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering wordt ingesteld of, indien de vordering tegen een rechtspersoon wordt ingesteld, de maatschappelijke of administratieve zetel;
4º het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering.
Het wordt ondertekend door de verzoeker of door zijn advocaat.
§ 2. Het verzoekschrift moet eveneens de vermelding bevatten dat geen vordering betreffende de overeenkomst waarop de gevraagde betalingsfaciliteiten betrekking hebben aanhangig werd gemaakt bij de rechter ten gronde.
§ 3. Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van de kredietovereenkomst gevoegd.
§ 4. Van het verzoekschrift worden zoveel exemplaren neergelegd als er partijen in het geding zijn.
§ 5. De griffie van ieder vredegerecht houdt ten behoeve van de schuldenaar een typeformulier van het verzoekschrift ter beschikking.
De griffier verstrekt bijstand bij het opstellen of corrigeren van het verzoekschrift. »
Art. 4
Artikel 1337quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 12 juni 1991, wordt vervangen als volgt :
« Artikel 1337 quater. Wanneer niet is voldaan aan de in artikel 1337ter bepaalde voorschriften schorst de rechter de rechtspleging totdat het verzoekschrift is vervolledigd of totdat de ontbrekende stukken zijn toegevoegd. »
| Francy VAN DER WILDT. |
(1) Dit wetsvoorstel werd reeds in de Senaat ingediend op 13 juni 1994, onder het nummer 1126-1 (1993-1994).