5-151COM

5-151COM

Commission des Finances et des Affaires économiques

Annales

MARDI 15 MAI 2012 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Patrick De Groote au ministre des Entreprises publiques, de la Politique scientifique et de la Coopération au développement sur «la réglementation relative aux services de sécurité des chemins de fer» (no 5-2160)

De heer Patrick De Groote (N-VA). - Eind november 2011 heb ik een vraag gesteld over de bevoegdheidsafbakeningen tussen het veiligheidspersoneel van de NMBS-Groep (Securail), het bewakingspersoneel van de NMBS-Groep (B-Security), de spoorwegpolitie (SPC) en de derden (Securitas nv) met betrekking tot onder meer arrestatie en bewapening.

Ik was vooral bezorgd om het gebrek aan coördinatie en overleg tussen de verschillende veiligheidsinstanties, wat de veiligheid niet ten goede komt.

Het juridische opzoekwerk naar aanleiding van het antwoord van toenmalig minister van Overheidsbedrijven, mevrouw Vervotte, met de verwijzing naar de verschillende regelgevingen was voor mij leerrijk.

De toenmalige minister verwees naar hoofdstuk 3bis van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende de politie der spoorwegen en de ministeriële circulaire van 15 april 2002 omvattende het reglement aangaande de verantwoordelijkheid van de bestuurlijke overheid en de taakverdeling tussen de politiediensten inzake veiligheid bij de spoorwegen.

In de databank van het Belgisch Staatsblad is geen dergelijke circulaire op datum van 15 april 2002 te vinden. Is dat een materiële vergissing in het antwoord van de minister of is de circulaire niet raadpleegbaar in het Belgisch Staatsblad?

Wat het koninklijk besluit van 20 december 2007 betreft, worden volgens artikel 18, §1, sancties bepaald volgens artikel 3 van de `wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg' die op haar beurt - weliswaar enkel in het Frans - verwijst naar de wet van 6 maart 1818: `Il pourra déterminer les peines, conformément à la loi du 6 mars 1818, pour réprimer les infractions aux dispositions prises en vertu de la présente loi.'. Op die datum vind ik echter enkel de wet, zoals gezegd van 6 maart 1818, betreffende de straffen uit te spreken tegen de overtreders van algemene verordeningen of te stellen bij provinciale of plaatselijke reglementen. Hebben de personen bij Securail geen problemen met de juridische krijtlijnen waarbinnen ze moeten functioneren? Zou de rechtszekerheid niet gebaat zijn met een recentere regelgeving met betrekking tot sancties?

In §2 van artikel 18 van vermeld koninklijk besluit wordt echter in een afwijking voorzien van §1 op de inbreuken van artikelen 3, 4, 6, 1º tot 4º, 8, 11 en 13. Wat zijn de inbreuken van artikel 6, 3º en 4º, want die zouden volgens het Belgisch Staatsblad nooit hebben bestaan of verwijst artikel 18, §2, naar een niet bedoeld artikel? Het is dus heel complex.

In hoofdstuk 3bis, artikel 13.6 van de wet van 10 april 1990 wordt bepaald dat de veiligheidsagenten kunnen worden uitgerust met handboeien. De gebruiksvoorwaarden van de handboeien, de omstandigheden waarin ze gedragen en gebruikt mogen worden, evenals het type en model worden bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Op dit moment is er echter nog geen uitvoeringsbesluit voor dit artikel, waardoor artikel 13.8. geldig is. Ik citeer: `De vigerende regelgeving blijft van toepassing zolang de koninklijke besluiten vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bedoeld in de artikelen 13.5 en 13.6 niet in werking getreden zijn'. Mijn vraag is dan ook: wat is de vigerende regelgeving?

Zou de minister een duidelijke regelgeving willen uitwerken met betrekking tot de rechten en plichten van de treingebruiker, enerzijds, en de verschillende veiligheidsdiensten bij de spoorwegen, anderzijds?

De heer Paul Magnette, minister van Overheidsbedrijven, Wetenschapsbeleid en Ontwikkelingssamenwerking, belast met Grote Steden. - De eerste vraag behoort tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Wat de tweede en derde vraag betreft, lijkt het me noodzakelijk dat de agenten van Securail, die de bevoegdheden hebben van agenten van gerechtelijke politie, richtlijnen zouden krijgen van de diensten die instaan voor het strafrechtelijk beleid.

De voorwaarden inzake het gebruik van handboeien zijn vervat in artikel 13.14 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Het in de Ministerraad overlegd besluit dat vermeld is in de artikelen 13.5 en 13.6 van die wet is het koninklijk besluit van 10 juni 2006 tot regeling van het model, de inhoud, de wijze van dragen en het gebruik van spuitbussen en handboeien door de leden van de veiligheidsdiensten van de openbare vervoersmaatschappijen.

De agenten van Securail hebben tegelijk de functie van beëdigd ambtenaar en van veiligheidsagent. Beide functies moeten kunnen worden uitgeoefend in aanvulling op de taken van de politiediensten. De problematiek rond de bevoegdheden werd binnen de regering besproken, onder de leiding van de minister van Binnenlandse Zaken. Uit die besprekingen zouden aanpassingen aan de wet kunnen voortvloeien.