2-184 | 2-184 |
M. le président. - Mme Isabelle Durant, vice-première ministre et ministre de la Mobilité et des Transports répondra au nom de M. Louis Michel, vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères.
De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - In de nasleep van 11 september wil de Amerikaanse overheid de veiligheid in de lucht- en scheepvaart verscherpen. Verschillende wetsvoorstellen werden in het Amerikaanse parlement ingediend en het ziet ernaar uit dat deze zullen worden aangenomen.
Die nieuwe wetgeving zou ertoe strekken dat alle vliegtuigen en schepen die een Amerikaanse lucht- of zeehaven willen binnenkomen, moeten kunnen bewijzen dat ze uit een veilig land zijn vertrokken. Voor de luchtvaart lijkt er op het eerste gezicht geen probleem. De luchthavens en het luchthavenpersoneel zijn onderworpen aan zeer strenge veiligheidsreglementen, maar voor de zeehavens liggen de zaken anders.
Als de Vlaamse zeehavens niet voldoen aan de door Washington opgelegde criteria, zou een schip dat vertrokken is in Antwerpen of Zeebrugge, kunnen worden teruggestuurd. Volgens de kranten zouden in heel wereld slechts een tiental havens in aanmerking komen om nog rechtstreeks te mogen uitvoeren naar de Verenigde Staten.
Gezien de betekenis van de Verenigde Staten voor het Antwerps containervervoer zijn de beleidsverantwoordelijken van de haven van Antwerpen bijzonder ongerust over deze Amerikaanse maatregelen.
Zijn de door de Verenigde Staten voorgestelde eisen conform de internationale handelsregels?
In hoever beantwoorden de havens in ons land aan de veiligheidseisen zoals deze momenteel in de Amerikaanse wetsvoorstellen vastliggen?
Zijn er plannen om de veiligheid in onze havens op te drijven indien nog niet aan de eisen wordt voldaan en zal men zich tijdig kunnen aanpassen?
Wat is de houding van de regering tegenover de eisen van de Amerikaanse overheid in deze materie?
Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Ik lees het antwoord van mijn collega van buitenlandse Zaken.
In het Amerikaans Congres worden parallel met de discussies over de beveiliging van de luchtvaart inderdaad ook discussies gevoerd over de beveiliging van de scheepvaart tegen terroristische aanslagen.
Reeds op 9 november 2001 heeft de zogenaamde Cotton Club, het samenwerkingsverband in de Amerikaanse hoofdstad van de groep van landen met belangen in de scheepvaart, met uitdrukkelijke steun van België een demarche uitgevoerd. Deze demarche hield in dat bij het invoeren van de veiligheidsmaatregelen, die volgens ons terecht zijn, rekening moet worden gehouden met de beroepsbelangen en dat de voorkeur moet worden gegeven aan internationale samenwerking in het kader van de IMO, de Internationale Maritieme Organisatie.
Sedertdien is de teneur van het debat in het Congres enigszins gemilderd. Het huidige voorstel bepaalt dat de Secretary of Transportation de bevoegdheid krijgt over te gaan tot de evaluatie van de veiligheid van vreemde havens op grond van internationaal erkende veiligheidsvoorschriften en in overleg met de lokale overheidsinstanties. In geval een vreemde haven niet aan de eisen voldoet, kan de Secretary of Transportation in samenwerking met andere departementen sancties treffen, zoals het verspreiden van negatieve publiciteit of het terugsturen van schepen.
De internationale handelsregels laten toe dat er maatregelen worden genomen om de veiligheid te waarborgen. Ons land gaat daar ook mee akkoord, op voorwaarde dat het gaat om objectieve maatregelen, die niet discriminerend zijn, in verhouding staan tot het nagestreefde doel, zoveel mogelijk gegrond zijn op internationale normeringen en waaraan elke handelspartner kan voldoen. Er mag dus geen sprake zijn van verdoken protectionisme.
Gezien de huidige stand van de bespreking in het Congres en rekening houdend met het werkdocument dat de Amerikaanse delegatie tijdens de vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van 11 tot 15 februari jongstleden heeft ingediend, meen ik te mogen zeggen, dat zich een redelijke basis voor discussie aan het ontwikkelen is. Ik kan alleszins bevestigen dat er officieel geen sprake van is dat de Amerikanen het aantal erkende havens tot tien zouden beperken.
Of de veiligheidsmaatregelen compatibel zijn met de handelsbelangen, kan pas worden beoordeeld zodra de geplande maatregelen duidelijker omschreven zijn. Ondertussen blijven wij pleiten voor internationale samenwerking teneinde de veiligheid in de Verenigde Staten en in Europa te bevorderen. Wij blijven de gebeurtenissen van zeer nabij volgen.
Tot zo ver het antwoord van collega Michel. Als minister van Mobiliteit en Vervoer ben ik eveneens betrokken bij de problematiek van de scheepvaart in het algemeen. Ik kan u meedelen dat de vergadering van de IMO die plaats had van 11 tot 15 februari, enkel tot doel had op internationaal vlak algemene maatregelen uit te werken om het terrorisme in te dijken en dit op voorstel van de Verenigde Staten.
Daarna heb ik op Belgisch vlak een vergadering bijeengeroepen met vertegenwoordigers van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Defensie en het Vlaamse Gewest om na te gaan welke maatregelen moeten worden genomen inzake de havens en de scheepvaart in het algemeen. Wanneer we weten welke maatregelen kunnen en mogen worden genomen op basis van de IMO-bijeenkomst en op basis van het Amerikaanse voorstel, kunnen wij het probleem opnieuw bekijken.
De heer Frank Creyelman (VL. BLOK). - Ik dring erop aan deze materie op de voet te volgen. De betekenis van onze havens voor Vlaanderen en voor België is zeer groot. Het gaat over tienduizenden arbeidsplaatsen en een belangrijk stuk van onze economie. Bovendien is sinds de gebeurtenissen van 11 september de verhouding tussen de Verenigde Staten en ons land niet schitterend.