Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-9366

van Nele Lijnen (Open Vld) d.d. 19 juni 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

Diabetesmedicijnen - Incretine mimetica - Gevaren - Overzicht

diabetes
geneesmiddel
inspectie van geneesmiddelen
Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
gevaren voor de gezondheid

Chronologie

19/6/2013 Verzending vraag
18/9/2013 Rappel
12/11/2013 Rappel
13/12/2013 Herkwalificatie
24/1/2014 Antwoord

Geherkwalificeerd als : vraag om uitleg 5-4567

Vraag nr. 5-9366 d.d. 19 juni 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In BelgiŽ nemen heel wat mensen diabetesmiddelen met als merknamen onder andere Byetta, Janumet en Januvia. De medische wereld was dan ook enthousiast toen de incretine mimetica, een groep geneesmiddelen voor patiŽnten met diabetes type 2, op de markt kwamen. Die middelen werken bij heel wat patiŽnten bijzonder goed. De kans op een glucosedip is voor hen heel wat kleiner dan wanneer ze insuline zouden nemen. Uit een aantal medische studies is echter gebleken dat die geneesmiddelen een grotere kans op alvleesklierkanker tot gevolg kunnen hebben. Het Amerikaans geneesmiddelenagentschap (FDA) en het Europees geneesmiddelenagentschap (EMA) hebben aangekondigd de risico's van de incretine mimetica opnieuw te onderzoeken. Artsen vrezen dat dit ertoe zal leiden dat patiŽnten hun toelating om dat middel te nemen zullen verliezen.

Ik had dan ook volgende vragen voor de geachte minister:

1) Zijn er aanwijzingen dat de inname van incretine mimetica een verhoogd risico op alvleesklierkanker teweegbrengt?

2) Hoeveel Belgische patiŽnten nemen die medicijnen? Hoe verhoudt zich dat tot het totale aantal diabetespatiŽnten in BelgiŽ?

3) Hebt u zicht op het onderzoek inzake incretine mimetica van het EMA? Wat is het advies van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten (FAGG) aangaande die kwestie? Worden er in afwachting van de resultaten van het onderzoek reeds maatregelen genomen?

Antwoord ontvangen op 24 januari 2014 :

1. Tot op heden is het enig geïdentificeerde risico ter hoogte van de alvleesklier als gevolg van gebruik van incretine mimetica, het ontwikkelen van alvleesklierontsteking. Dit risico is echter reeds vermeld in de Samenvattingen van de Kenmerken van het Product (SKP) en de bijsluiters van de incretine mimetica. Deze klasse van geneesmiddelen wordt niet aanbevolen bij patiënten die medische antecedenten hebben van aandoeningen ter hoogte van de alvleesklier.

Wat betreft het risico op alvleesklierkanker, wordt deze vraag momenteel onderzocht door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) in het kader van een artikel 5.3 arbitrageprocedure die als doel heeft om alle risico’s te herevalueren met betrekking tot aandoeningen ter hoogte van de alvleesklier (inclusief alvleeskliertumoren) bij patiënten die behandeld werden met incretine mimetica of andere verwante geneesmiddelen. Deze herziening is niet alleen gebaseerd op de beoordeling van de medische gegevens aangeleverd door de farmaceutische firma’s die deze geneesmiddelen commercialiseren, maar ook alle recent gepubliceerde literatuur over dit onderwerp. Deze herziening in momenteel nog aan de gang en het EMA zal over deze problematiek communiceren zodra de resultaten beschikbaar zijn.

2.Volgens de Farmanetgegevens (gegevens over specialiteiten afgeleverd in apotheken opengesteld voor het publiek en terugbetaald door het RIZIV) werden er in het afleveringsjaar 2012 12 267 diabetespatiënten behandeld met een incretinemimeticum. Dit is 2,04 % van het totale aantal diabetespatiënten.

Tabel 1 geeft de evolutie van het aantal patiënten die behandeld werden met een incretinemimeticum en het aandeel in het totale aantal diabetespatiënten tussen 2008, het eerste jaar waarin er een vergoedbaar incretinemimeticum op de markt kwam, en 2012.

Tabel 1: aantal patiënten behandeld met een incretinemimeticum en aandeel in het totaal aantal diabetespatiënten

Afleveringsjaar

Aantal patiënten behandeld met een incretinemimeticum

Aantal diabetespatiënten

Aandeel patiënten behandeld met een incretinemimeticum

2008

2.460

509.354,00

0,48%

2009

4.630

534.449,00

0,87%

2010

6.856

560.168,00

1,22%

2011

10.266

583.328,00

1,76%

2012

12.267

602.763,00

2,04%


3. Incretine mimetica of GLP-1 gebaseerde therapieën zijn geregistreerd voor de behandeling van patiënten met type 2 diabetes. Deze therapieën omvatten GLP-1 analogen en DPP-4 inhibitoren die, weliswaar op verschillende wijzen, de blootstelling aan GLP-1 verhogen.  De eerste GLP-1 analoog (exenatide, Byetta) werd geregistreerd in 2006. Ondertussen werden Victoza (liraglutide), Bydureon (verlengde vrijgave van exenatide) and Lyxumia (lixisenatide) geregistreerd.

Betreffende de DPP-4 inhibitoren werden volgende geneesmiddelen geregistreerd in 2007: Januvia (sitagliptin) en Galvus (vildagliptin). Later volgden Onglyza (saxagliptin) en Trajenta (linagliptin).

Op 27 maart 2013 startte op het niveau van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) een arbitrageprocedure (artikel 5.3) voor de incretine mimetica volgend op de bevindingen van academische onderzoekers die een verhoogde risico voor alvleesklierkanker en pre-cancereuse cellulaire veranderingen in diabetische patienten behandeld met GLP-1 agonisten en DPP-4 inhibitoren zouden aantonen.

Deze procedure omvat 3 verschillende acties:

1. Een studie van de ingediende beschikbare niet-klinische en klinische informatie met betrekking tot veiligheid voor de alvleesklier voor elk geneesmiddel inclusief de uitgevoerde post marketing studies, spontane meldingen zoals samengevat in de Periodic safety Update Rapporten (PSUR) en de geplande activiteiten in de Risk Management Plannen (RMP).

2. Vragen gesteld aan de auteurs van het gepubliceerde academisch onderzoek in samenwerking met de US FDA

3. Expert vergaderingen met betrekking tot het gepubliceerde academisch onderzoek

De rapporteurs voor deze procedure zijn Zweden en Nederland. Er werden in het kader van deze procedure volgende betrokken geneesmiddelen onderzocht:

België treedt enkel op als co-rapporteur voor het geneesmiddel Lyxumia (lixisentatide).

Het CHMP (Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik van het Europees geneesmiddelenbureau) heeft na herevaluatie van alle beschikbare niet-klinische en klinische studies besloten dat er geen verandering is in de beschikbare bewijzen voor alvleesklier-afwijkingen.

Alvleesklierontsteking werd gerapporteerd in een klein aantal gevallen tijdens klinische studies en werd bevestigd met spontane rapporteringen. Dit werd reeds opgenomen in de SKP van alle producten. De bewoordingen hiervoor gebruikt zijn geharmoniseerd om de patiënten en zorgverstrekkers consistent te informeren.

Voor wat betreft het mogelijke risico op alvleesklierkanker geven de klinische studies geen signalen in deze richting. De gegevens zijn echter nog te beperkt om tot een definitieve conclusie te komen.

Twee grote studies, ondersteund door de Europese Commissie, betreffende mogelijke ongewenste effecten van deze groep van producten, inclusief op de pancreas, zijn in 2011 gestart en de eerste resultaten worden verwacht in de loop van 2014.

Door opvolging van de rapportering van bijwerkingen en de resultaten van de nieuwe studies zal het Europees Geneesmiddelenbureau er over waken of de risico/baten balans voor deze groep producten positief blijft.