Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8932

van Nele Lijnen (Open Vld) d.d. 3 mei 2013

aan de minister van Werk

Het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden

arbeidscontract
werknemer
arbeider
arbeidsrecht
personeelsstatuut

Chronologie

3/5/2013 Verzending vraag
18/9/2013 Rappel
12/11/2013 Rappel
26/11/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-2914

Vraag nr. 5-8932 d.d. 3 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Op 8 juli 2013 moet volgens het Grondwettelijk Hof de lat tussen arbeiders en bedienden gelijk worden gelegd. Werknemers, werkgevers ťn de publieke opinie geloven nauwelijks dat die timing wordt gerespecteerd.

Het hoeft niet te verbazen dat vooral arbeiders sceptisch staan ten aanzien van de werkgevers. De toenadering die enkele jaren geleden via een sociaal akkoord in de NAR bij wijze van eerste overgang werd goedgekeurd, vindt geen genade in de ogen van de meeste arbeiders. Bij werkgevers wordt met argusogen gekeken naar het kostenplaatje van een gelijkschakeling, vermits niemand rechten wil verliezen. In deze financieel barre tijden moet ook niet op de overheid worden gerekend voor een financiŽle bijpassing.

De tijd dringt. Arbeidsexperten vrezen dat het uitblijven van een gelijkschakeling tussen arbeiders en bedienden ertoe kan leiden dat rechtbanken na 8 juli niet anders zullen kunnen dan arbeiders, die hun zaak voor de rechter brengen, upgraden tot het niveau van bedienden. Het zou niet alleen grote gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van ons land, maar meteen een bom leggen onder onze traditie van sociaal overleg.

Vermits de sociale partners er tijdens de kerstvakantie in geslaagd zijn om een voorakkoord te bereiken over het welvaartsvast maken van de uitkeringen en over de loonkostverlaging, is er een beetje meer hoop gekomen op een entente tussen de sociale partners. In een beter sociaal klimaat is de kans op het bereiken van een akkoord over het eenheidsstatuut reŽler. Maar er blijven grote meningsverschillen. Het lijkt dan ook aangewezen dat de minister al haar diplomatiek talent bovenhaalt om de partners tot een compromis te bewegen.

Het debat over het eenheidsstatuut is in eerste instantie een debat over centen, maar het is fundamenteel een uitvloeisel van de transformatie van onze arbeidsmarkt naar een diensteneconomie. We hopen dan ook dat dit debat wordt aangegrepen om te komen tot een modernisering van onze arbeidsmarkt en niet het minst ook om een administratieve vereenvoudiging door te voeren. Dat laatste is trouwens een kostenbesparing.

Ik kreeg graag een antwoord van de minister op de volgende vragen.

1)Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de gelijkschakeling van het statuut van arbeiders en bedienden?

2)Welk tijdspad voorziet de minister om tijdig een akkoord te bereiken?

3)Klopt de these dat rechtbanken na 8 juli niet anders kunnen dan arbeiders het statuut van bedienden te geven?

4)Is de minister van oordeel dat een eenzijdige nivellering naar boven financieel onhaalbaar is?

5)Welke acties onderneemt de minister om de sociale partners tot een akkoord te bewegen?

6)Zal de minister aandringen op sociale vereenvoudiging bij het maken van een akkoord over het eenheidsstatuut?

7)Is de invoering van het eenheidsstatuut in de ogen van de minister ook een aanleiding om te komen tot een modernisering van onze arbeidsmarkt? Welke maatregelen moeten volgens de minister prioritair worden genomen?

Antwoord ontvangen op 26 november 2013 :

Tussen de datum van uw vraagstelling en het tijdstip van mijn antwoord zijn er heel wat onderhandelingen geweest met de sociale partners en de regering.

Het Grondwettelijk Hof had in een arrest gesteld dat de verschillen tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen in geval van ontslag en de carenzdag in strijd waren met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie en dat dit moest worden weggewerkt tegen 8 juli 2013. Enkele dagen voor deze uiterste datum, heeft heb ik als minister van werk tijdens intensieve onderhandelingen met de representatieve werknemersorganisaties en de werkgeversorganisaties, hen een compromisvoorstel voorgelegd, dat vervolgens werd bevestigd door het kernkabinet van de ministerraad op 8 juli 2013 en integraal werd uitgewerkt, rekening houdende met de preciseringen van alle experts. De beslissing van de ministerraad zet dit compromis nu om in een wetsontwerp.

Dankzij het eenheidsstatuut wordt de discriminatie tussen arbeiders en bedienden en het onderscheid tussen hoofd- en handenarbeid opgeheven. Vanaf 1 januari 2014 verdwijnt de carenzdag en alle werknemers vallen dan onder dezelfde opzegregeling- en termijnen. Dit is niet alleen belangrijk voor de werknemers die aan de slag zijn vandaag, maar ook voor de werknemers van morgen, de jongeren, die bij een keuze tussen ASO, BSO en TSO niet meer gehinderd zullen worden door die achterhaalde tweedeling. Daarnaast betekent de nieuwe regeling een belangrijke hervorming van de arbeidsmarkt, doordat de verplichting tot outplacement wordt uitgebreid naar iedereen die een opzegtermijn van 30 weken heeft bij een werkgever.

Eén ontslagregeling

De nieuwe opzeggingstermijnen volgen de verschillende fases in de arbeidsrelatie en zijn aangepast aan de huidige structuur van de arbeidsmarkt. Zo zijn er bijvoorbeeld korte opzeggingstermijnen bij het begin van de loopbaan om zo de rem op aanwervingen weg te werken en op die manier een betere mobiliteit op de arbeidsmarkt toe te laten. Tijdens de eerste vijf jaar anciënniteit, zal de opzeggingstermijn op progressieve wijze evolueren

Van het vijfde tot het negentiende jaar is de evolutie gelijkmatiger en is de opzeggingstermijn drie weken per jaar. Na 20 jaar anciënniteit wordt de opbouw vertraagd. De nieuwe opzeggingstermijn zijn dus geen nivellering naar boven geworden.

Modernisering arbeidsmarkt

Inzake modernisering van de arbeidsmarkt wil ik uw aandacht vestigen op twee maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemers verhogen.

1. Outplacement: in de nieuwe regeling ontvangt een werknemer die een opzeggingstermijn van 30 weken heeft of een opzeggingsvergoeding die hiermee overeenstemt, een ontslagpakket dat bestaat uit een outplacementbegeleiding en een opzeggingsvergoeding.

2. Sectorale maatregelen met betrekking tot inzetbaarheid: sectoren krijgen vijf jaar de tijd om in een invulling te voorzien van de opzeggingstermijn of -vergoeding ten belope van één derde. Een derde hiervan zal dus op een andere manier moeten worden ingezet om de inzetbaarheid van de individuele werknemer te bevorderen.

Tijdspad

Het voorontwerp van wet zou in werking moeten treden op 1 januari 2014. De sociale partners moesten een cao sluiten omtrent ontslagmotivering.

De regering heeft de sociale partners gevraagd om voor alle andere domeinen waar een harmonisering noodzakelijk is tegen 31 december 2013 afspraken te maken. Het is de bedoeling dat hiertoe het ontwerp van IPA van 2011-2012 wordt geactualiseerd en zo nodig aangevuld, zoals werd afgesproken in de compromistekst. Het gaat om een oplossing voor de harmonisering van volgende thema’s: jaarlijkse vakantie, gewaarborgd loon, tijdelijke werkloosheid, de collectieve arbeidsverhoudingen en de uitbetaling van het loon; dit alles met vrijwaring van onze concurrentiekracht. Daarnaast zou de regering er ook op willen aandringen dat de partners een oplossing vinden voor wat de problematiek van de aanvullende pensioenen betreft.