Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8491

van Nele Lijnen (Open Vld) d.d. 14 maart 2013

aan de minister van Justitie

Het ophelderen van verkrachtingszaken

seksueel geweld
DNA
misdaadbestrijding
straffeloosheid
gerechtelijke vervolging
seksueel misdrijf

Chronologie

14/3/2013 Verzending vraag
16/4/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-2863

Vraag nr. 5-8491 d.d. 14 maart 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De krant De Morgen berichtte onlangs dat er elke week 56 verkrachtingen en 5 groepsverkrachtingen plaatsvinden in ons land. Vorig jaar zouden volgens officiŽle cijfers 232 groepsverkrachtingen hebben plaatsgevonden. Een even schokkend cijfer was 4 %; dit is het percentage daders die effectief vervolgd en veroordeeld worden. Een op drie van de vervolgden zou effectief gestraft worden. Het feit dat het percentage vervolgden zo laag ligt, leidt tot een gevoel van straffeloosheid bij daders, die weten dat de kans op juridische gevolgen zeer klein is. Die straffeloosheid zorgt er ook voor dat slachtoffers het nut er niet van inzien om naar de politie te stappen (d.i. registratiebereidheid), waardoor vele verkrachtingen zelfs niet geregistreerd worden, laat staan bestraft. Het is een gekende praktijk dat na de verkrachting een uitstrijkje wordt genomen. Dit gebeurt door een politiearts aan de hand van de "verkrachterskit", die gebruikt wordt om sporen te registreren.

Wegens besparingen zouden twee op drie uitstrijkjes niet geanalyseerd worden. Hoewel ze een zeer belangrijk middel zijn om verkrachtingszaken op te lossen, liggen honderden stalen nutteloos in de databank. Het percentage daders dat effectief vervolgd wordt, ligt mede om deze reden zo extreem laag. De procedure met uitstrijkje is confronterend en onaangenaam, dus het feit dat vele uitstrijkjes nutteloos blijven is voor veel slachtoffers een slag in het gezicht. Het lijkt mij dan ook zeer moeilijk om potentiŽle serieverkrachters of veelplegers op te sporen, laat staan te straffen. Dit omdat de labo's dermate weinig uitstrijkjes analyseren en dus in het beste geval slechts ťťn of enkele verkrachtingen van een dader vaststellen? Hiermee verbonden merkte de directeur van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie in 2005 op: "Met te weinig afnamen dreigen verbanden tussen dossiers verloren te gaan." Dit verontrust mij enorm. Het is niet verwonderlijk dat serieverkrachters vaak vrijuit gaan, of dat slechts een klein deel van hun daden wordt geregistreerd, wat het bewijzen of bestraffen van de misdaden sterk bemoeilijkt. Ik denk hierbij ook aan verkrachters die zich verplaatsen doorheen het land om zo in andere delen van het land slachtoffers te zoeken.

Wel zouden door een nieuwe DNA-wet alle sporen automatisch in de databank terecht komen. Dit gebeurt nu nog niet, terwijl de databank essentieel is om deze zaken op te lossen. Zo zouden er slechts enkele tienduizenden profielen in de databank zitten, vergeleken met miljoenen in het Verenigd Koninkrijk. Ook Zweden vervult een voorbeeldfunctie in deze problematiek. Daar zou de registratiebereidheid dan ook veel hoger zijn.

Graag had ik dan ook enkele vragen gesteld over dit onderwerp:

1) Deelt de minister mijn mening dat het door de huidige aanpak voor de politie zeer moeilijk is om serieverkrachters te detecteren, wat een groot gevaar voor de samenleving betekent?

2) Worden bij de spoorregistratie van een groepsverkrachting de verschillende sporen van daders aan elkaar gelinkt, zodat mogelijke bendes later ook zo geÔdentificeerd kunnen worden?

3) Deelt de minister mijn mening dat het door de huidige aanpak vaak zeer moeilijk tot onmogelijk is om bij een (al dan niet rondtrekkende) serieverkrachter zijn vele daden te bewijzen, omdat patronen van verkrachtingen vaak onopgemerkt blijven? Waar loopt het in de procedure ernstig mis, gelet op het feit dat bij de verkrachtingen, als ze al gemeld worden, slechts 4 % effectief vervolgd en veroordeeld worden?

4) Welke methoden acht de minister noodzakelijk om de registratiebereidheid te verhogen, daar dit een essentieel onderdeel is van de aanpak van het probleem?

5) Ook bij de nieuwe DNA-wet zou de magistraat nog steeds kunnen beslissen of een analyse al dan niet moet gebeuren. Hoe wil de minister er voor zorgen dat deze selectie maximaal verbeterd wordt?

6) Is de aparte databank voor "verdachten", die naast de databanken "criminalistiek" en "veroordeelden" zou bestaan, reeds gerealiseerd?

7) Kan ons land lessen trekken uit de aanpak van het Verenigd Koninkrijk of Zweden? Is het puur een budgettaire kwestie, of zijn er ook structurele "best practices" waarvan we kunnen leren?

Antwoord ontvangen op 16 april 2013 :

1) Uit cijfers die ik van het College van procureurs-generaal heb gekregen, blijkt dat er bij seponering van verkrachtingszaken in 55 % van de gevallen het motief “onvoldoende bewijzen” wordt aangehaald. De problematiek van verkrachtingen geniet echter mijn bijzondere aandacht. Verkrachtingen staan als een prioriteit vermeld in het Nationaal Veiligheidsplan en in het ontwerp van Kadernota Integrale Veiligheid in voorbereiding. Betrouwbare databases en statistieken, alsook een versterkt opsporings- en vervolgingsbeleid en aandacht voor zowel het slachtoffer van seksueel misbruik als voor de opvolging van de dader, vormen hierin de rode draad. Het is echter eigen aan het uittekenen van een beleid dat dit stap voor stap gebeurt. De bedoeling is altijd geweest om eerst de DNA-wetgeving te moderniseren en efficiënter te maken. Dit is ondertussen gerealiseerd door de wet van 7 november 2011. Deze wet is op heden nog niet in werking getreden, maar het uitvoeringsbesluit wordt op dit moment door mijn diensten gefinaliseerd. Daarna moet werk gemaakt worden van de vermindering van de kosten van DNA-analyses. Eenmaal de nieuwe DNA-wet in werking is getreden, zullen de procedures efficiënter en eenvoudiger verlopen. Een efficiëntere procedure zal ook automatisch zorgen voor een goedkopere procedure. Bovendien loopt er momenteel een openbare aanbesteding om een laboratorium aan te wijzen, dat zal instaan om de DNA-profielen van de veroordeelden op te stellen. Dit zal ook tot een serieuze kostenbesparing kunnen leiden. In laatste instantie zal de creatie van nieuwe DNA-databanken volgen. Daarbij wordt niet enkel gedacht aan een databank “erdachten”, maar ook “vermiste personen” en “intervenanten”. Dit geheel aan maatregelen kadert dus in een ruimere context dan enkel verkrachtingen en is tevens een proces van lange adem.

2) In het algemeen worden de DNA-profielen van sporen en/of van personen die overgemaakt worden aan de nationale DNA-databanken in geval van overeenstemming aan elkaar gelinkt via het notitienummer of het dossiernummer van het gerechtelijk dossier waartoe zij behoren. Ik wil u erop wijzen dat de nationale DNA-databanken volledig anoniem zijn en indien er een overeenstemming gevonden wordt tussen een sporenprofiel en een DNA-profiel van een persoon, de identiteit van deze laatste opgevraagd moet worden bij het parket.

3) De 4 % waarnaar u verwijst is niet in overeenstemming met de werkelijkheid van het opsporings- en vervolgingsbeleid. Evenwel tonen recente cijfers van het College van procureurs-generaal wel aan dat 44 % van de zaken die in de parketten tussen 2009 tot en met 2011 instroomden geseponeerd werden, waarvan 55 % met het motief “onvoldoende bewijzen”. Er wordt, zoals ik daarnet al opmerkte, stap voor stap werk gemaakt van de verbetering van de bewijsgaring en dit niet enkel voor verkrachtingszaken. Ik wens er trouwens ook op te wijzen dat DNA-analyses op zich enkel een bewijs geven van seksueel contact hetgeen nog geen bewijs in rechte oplevert. Dit zegt bijv. niets over het gebrek aan toestemming, dat een constitutief bestanddeel vormt van het misdrijf verkrachting. Een rechter heeft dus verder bewijs nodig, zoals andere sporen van geweld. Deze kunnen blijken uit de correcte afname van de set seksuele agressie. Momenteel is de substituut-procureur-generaal van Luik belast met de evaluatie van de omzendbrief 10/2005 inzake de set seksuele agressie. Deze evaluatie is nog lopende, in samenwerking met de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid en het NICC. Ik wacht met belangstelling op de resultaten van het evaluatieonderzoek.

4) Uit de cijfers van het College van procureurs-generaal blijkt dat de instroom van verkrachtingszaken bij de parketten in de jaren 2009 tot en met. 2011 met 20 % is toegenomen. Het aantal processen-verbaal afkomstig van de politiediensten is ook met 17 % gestegen, het aantal klachten met burgerlijke partijstelling met maar liefst 58 %. Dit geeft mijn inziens aan dat de registratiebereidheid de laatste jaren juist toegenomen is, hetgeen juist positief is, maar het kan uiteraard altijd beter en sensibiliseringscampagnes kunnen daar zeker toe bijdragen.

5) Het is aan magistraat om te beslissen of al dan niet een DNA-analyse wordt uitgevoerd, rekening houdende met de concrete omstandigheden van de te onderzoeken zaak. De reden waarom een magistraat soms beslist om uiteindelijk geen DNA-analyse te vorderen, wordt momenteel in het kader van de evaluatie van de omzendbrief 10/2005 inzake de set seksuele agressie onderzocht. Het is wel zo dat sinds de wet van 30 november 2011 ter verbetering van de aanpak van seksueel misbruik en feiten van pedofilie binnen een gezagsrelatie, de Procureur des Konings of de onderzoeksrechter die in het kader van een dossier van aanranding van de eerbaarheid of verkrachting beslist om geen DNA-profiel te laten opstellen van sporen of van een referentiestaal aangetroffen of afgenomen bij onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer hierover op het einde van het onderzoek uitleg moeten verstrekken aan het slachtoffer. Ter sensibilisering van de magistraten kan dit al tellen.

6) De nieuwe DNA-wet is nog niet in werking getreden zodat op dit moment er nog geen DNA-profielen van verdachten geregistreerd worden.

7) De ‘immense’ DNA-databank van het Verenigd Koninkrijk is steeds meer onderhevig aan kritiek wegens de zeer lage drempel die gehanteerd wordt voor de opname van profielen. Het is zo dat in het VK van iedereen die gearresteerd wordt voor een zogenaamd “recordable offence” een DNA-profiel wordt opgesteld en bewaard, zelfs wanneer die persoon later onschuldig blijkt te zijn. Dit is moeilijk verzoenbaar met het recht op privacy, dat wij hier in België toch ook hoog in het vaandel dragen. De Zweedse aanpak dient bestudeerd te worden.