Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-5643

van Nele Lijnen (Open Vld) d.d. 15 februari 2012

aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen

Bedrijven - Opleidingen - Genderdimensie - Achterstand vrouwen - Beleid

praktijkopleiding
gelijke behandeling van man en vrouw

Chronologie

15/2/2012 Verzending vraag
25/7/2012 Antwoord

Vraag nr. 5-5643 d.d. 15 februari 2012 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uit een onderzoek van de sociale balansen van tienduizend bedrijven door het handelsinformatiekantoor Dun & Bradstreet blijkt dat de Belgische bedrijven in 2010 1,62 % van hun totale loonmassa hebben besteed aan vorming.

Uit nadere analyse van de cijfers blijkt dat meer dan driekwart van het opleidingsbudget naar mannen gaat. Per persoon werd in hen gemiddeld 1118 euro ge´nvesteerd. Bij vrouwen bedroeg de gemiddelde investering niet eens de helft, meer bepaald 536 euro per hoofd. Bovendien is de investering bij mannen tegenover het jaar voordien gestegen met 4 %, terwijl ze bij vrouwen met 4 % gedaald is.

Er is met andere woorden ook inzake opleidingen duidelijk sprake van een genderdimensie die in het nadeel van vrouwen uitvalt.

1) Welke zijn de belangrijkste redenen van de (groeiende) achterstand van vrouwen op het vlak van vorming die door ondernemingen wordt aangeboden?

2) Welke initiatieven heeft de minister in het verleden in haar hoedanigheid van minister van Gelijke Kansen en van Werk ondernomen om de achterstand van vrouwen inzake opleiding trachten te verkleinen?

3) Is zij van oordeel dat deze nieuwe cijfers aanleiding moeten geven tot nieuwe initiatieven die de groeiende achterstand een halt toeroepen?

4) Stelt zij een numeriek doel, eventueel in combinatie met een actieplaná?

5) Welke sensibiliseringsacties en andere maatregelen zal zij nemen, desgevallend in overleg met haar collega van Werk, om de achterstand van vrouwen inzake opleidingen weg te werken?

Antwoord ontvangen op 25 juli 2012 :

De mate waarin een werkgever bereid is om te investeren in de opleiding van zijn werknemer is een belangrijk gegeven. Nochtans dienen de in deze studie gepresenteerde gegevens enigszins te worden gerelativeerd: het feit dat de middelen die gewijd worden aan de opleiding van de vrouwen minder hoog liggen wil niet noodzakelijk zeggen dat vrouwen minder opleidingen volgende maar zijn vooral een gevolg van het feit dat dit over kortere en goedkopere opleidingen gaat.  

De gegevens van de sociale balans waar de vermelde studie naar verwijst, werden door de Nationale Bank bezorgd aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en opgenomen in de publicatie ‘Vrouwen en mannen in België. Genderstatistieken en genderindicatoren. 2e Editie’, in tabel 140, bladzijde 326[2]. Het gaat over de jaren 2003, 2007 en 2010. De tabellen werden opgenomen in bijlage.  

Over de jaren zien we eerder een evolutie naar meer gelijkheid, hoewel er een duidelijk overwicht van mannelijke werknemers blijft in het aandeel van de opleidingskosten en het aantal gevolgde opleidingsuren.  

Dit neemt uiteraard niet weg dat de genderverschillen pertinent zijn en de nodige beleidsaandacht verdienen. 

1)   Ik beschik niet over specifieke informatie over de redenen van deze achterstand. Ik heb evenmin voldoende informatie over het type opleidingen dat wordt gevolgd en de loopbaanmogelijkheden die zij bieden. Het past evenwel de nadruk te leggen op het feit dat vele vrouwen moeilijkheden ondervinden in het verzoenen van beroepsleven en familieleven. Opleiding die bovenop het te verrichten werk komen kunnen een bijkomende last vormen en worden dus door die vrouwen beschouwd als een bijkomende last.

2)   De thematiek van de bezoldigingskloof wordt aangesneden in het raam van de jaarlijkse verslagen van het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen over de loonkloof. Een van de aanbevelingen van dit verslag verwijst trouwens naar de noodzaak voor de werkgevers om de voorstellen van opleidingen die binnen of buiten het bedrijf worden georganiseerd voor mannen en vrouwen billijker te maken.

3)   4) en 5) Er dient te worden verduidelijkt dat men niet echt gewag kan maken van een “toenemende” achterstand. De problematiek dient te worden ontleed onder het ruimer oogpunt van de vaak zwakkere positie van de vrouwen op de arbeidsmarkt. Het gaat er dus hier om het aanbrengen van een globaal en samenhangend beleidsantwoord. De wet op de loonkloof die in de Kamer op 8 maart jongstleden werd gestemd voorziet aldus een aantal acties met het oog op, op sectorniveau, de genderneutraliteit van de functieclassificaties na te zien en, op het niveau van de onderneming, de organisatie van het overleg om te komen tot een genderneutraal bezoldigingsbeleid verplicht te maken. 

De wet op de loonkloof legt tevens op de sociale balans te ventileren naar geslacht, hetgeen een machtige stap voorwaarts is inzake toegang tot informatie maar eveneens sensibilisering. Het zal inderdaad voortaan mogelijk zijn te kunnen beschikken over een echte monitoring van de voordelen die toegekend worden aan vrouwen en mannen binnen de onderneming, met inbegrip van de opleidingsmogelijkheden. Indien op basis van deze informatie, dan kan de onderneming worden verplicht een actieplan te voeren. Die acties zullen concrete doelstellingen dienen te betreffen, maar ook actiedomeinen om die te bereiken en een verwezenlijkingstermijn en ten slotte een systeem voor de monitoring van de uitvoering ervan. Het is dus binnen de onderneming zelf dat er zal worden gesproken over de concrete middelen die in werking dienen te worden gesteld om te neigen naar een gelijkheid tussen vrouwen en mannen. In samenwerking met mijn collega de minister van Werk, Monica De Coninck, zal ik van heel dichtbij de inwerkingstelling van deze wet opvolgen. 

[1] Attention dans la première édition, il s’agissait du tableau 24, page 80.

[2] Opgelet, in de eerste editie betrof het tabel 24 op bladzijde 80.

Aandeel werknemers dat een opleiding heeft gevolgd, aantal opleidingsuren en opleidingskosten en V/M-ratio's, naar sector en geslacht

Bron: NBB, Balanscentrale

2010


Werknemers

Gemiddeld aantal opleidingsuren

Gemiddelde opleidingskost (in euro)

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Landbouw

9,70%

4,90%

1,98

19,7

17

1,16

881

1,14

0,77

Industrie

41,70%

44,00%

0,95

25,4

27,3

0,93

1,4

1,55

0,91

Winningsindustrie

26,50%

29,00%

0,91

21,3

31,1

0,68

1,49

1,09

1,37

Verwerkende industrie

38,70%

42,30%

0,91

24,4

26,2

0,93

1,23

1,34

0,91

Energie en water

76,90%

66,30%

1,16

31,6

37,3

0,85

2,48

3,2

0,78

Bouw

18,90%

17,60%

1,07

23,3

25

0,93

1,1

955

1,15

Handel, transport en communicatie

33,20%

34,10%

0,97

23,3

40,6

0,57

1,18

2,09

0,56

Transport (bv. post)

48,70%

38,90%

1,25

33,1

54,7

0,61

1,7

2,68

0,63

Communicatie

45,40%

43,90%

1,03

25

30,8

0,81

1,66

2,17

0,76

Handel en reparatie

30,00%

29,00%

1,03

19,2

26,1

0,74

902

1,3

0,7

Horeca

17,10%

14,20%

1,2

17,3

18,4

0,94

659

633

1,04

Financiële dienstverlening, vastgoed, en overige zakelijke dienstverlening 

32,60%

35,80%

0,91

29,7

30,5

0,97

1,88

2,1

0,9

Financiële dienstverlening en verzekeringen

56,10%

60,90%

0,92

27,5

26,3

1,05

2,36

2,42

0,97

Vastgoed en overige zakelijke dienstverlening

23,60%

26,20%

0,9

31,8

34,3

0,93

1,46

1,81

0,81

Overige diensten

56,20%

39,60%

1,42

21,9

30,4

0,72

614

955

0,64

Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 

60,50%

45,30%

1,34

21,9

31

0,71

607

936

0,65

Collectieve, sociale en persoonlijke diensten

16,90%

19,60%

0,86

22,1

25,7

0,86

833

1,11

0,75

2007










 

Werknemers

Gemiddeld aantal opleidingsuren

Gemiddelde opleidingskost (in euro)

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Landbouw

9,50%

6,00%

1,58

25,1

27,4

0,92

1,15

1,3

0,88

Industrie

44,70%

47,70%

0,94

32,4

38,3

0,85

1,5

1,71

0,88

Winningsindustrie

22,30%

20,50%

1,09

39,8

49,7

0,8

2,06

1,15

1,8

Verwerkende industrie

43,30%

47,10%

0,92

30,2

36,3

0,83

1,32

1,59

0,83

Energie en water

64,00%

58,10%

1,1

52

59

0,88

3,09

2,93

1,06

Bouw

11,50%

12,30%

0,93

25,7

25,1

1,02

1,06

878

1,21

Handel, transport en communicatie

33,80%

38,10%

0,89

26,8

38,7

0,69

1,19

1,78

0,67

Transport (bv. post)

43,90%

40,80%

1,08

32,4

45,8

0,71

1,92

2,18

0,88

Communicatie

56,70%

53,70%

1,06

31,8

41,1

0,77

1,58

2,17

0,73

Handel en reparatie

29,80%

33,20%

0,9

24,3

29

0,84

849

1,1

0,78

Horeca

18,20%

16,20%

1,12

12,2

16,4

0,74

363

543

0,67

Financiële dienstverlening, vastgoed, en overige zakelijke dienstverlening 

33,90%

42,40%

0,8

34

30,1

1,13

2,17

1,9

1,14

Financiële dienstverlening en verzekeringen

57,80%

61,10%

0,95

34

33,5

1,01

2,93

3,06

0,96

Vastgoed en overige zakelijke dienstverlening

23,30%

34,60%

0,67

33,9

27,5

1,23

1,34

1,05

1,27

Overige diensten

55,00%

33,80%

1,63

20,8

22,6

0,92

543

709

0,77

Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 

59,80%

40,30%

1,48

20,7

22,6

0,92

543

717

0,76

Collectieve, sociale en persoonlijke diensten

13,60%

13,90%

0,98

24,8

22,3

1,11

569

628

0,91

2003










 

Percentage werknemers

Gemiddeld aantal uren opleiding 

Gemiddelde opleidingskosten

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Vrouwen

Mannen

V/M

Landbouw

19,8

7,6

2,61

24,7

39,8

0,62

911

1,76

0,52

Nijverheid

37,5

46,2

0,81

31,9

35,6

0,9

1,4

1,6

0,87

Extractieve nijverheid

15,7

22,8

0,69

43,9

28,2

1,56

3,64

897

4,06

Verwerkende nijverheid

37,5

46,3

0,81

32,1

36

0,89

1,4

1,61

0,87

Energie en water

42,2

51,6

0,82

20,7

21,6

0,96

1,15

1,25

0,92

Bouw

11,8

14,2

0,83

25

25,7

0,97

853

778

1,1

Handel, vervoer en communicatie

27,5

34,7

0,79

30,6

41,3

0,74

927

1,56

0,6

Vervoer en communicatie

42,6

46

0,93

33,9

45,7

0,74

1,17

1,78

0,66

Handel en reparaties

23,9

23,7

1,01

27,9

30,5

0,91

773

1,05

0,74

Horeca

8,1

7,1

1,14

38,4

43,1

0,89

495

613

0,81

Financiële dienstverlening, vastgoed en diensten aan bedrijven

38,4

41,4

0,93

26,5

32,4

0,82

1,91

2,17

0,88

Financiële dienstverlening en verzekeringen

56,6

55,9

1,01

26,5

29,5

0,9

2,42

2,79

0,87

Vastgoed en diensten aan bedrijven

24,6

31,8

0,77

26,6

35,7

0,75

1

1,46

0,69

Overige diensten

47,8

34,6

1,38

18,2

21,4

0,85

449

599

0,75

Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening

49,8

37,5

1,33

18,1

21,7

0,83

446

603

0,74

Collectieve, sociale en persoonlijke diensten

15,2

23,1

0,66

22,5

19,1

1,18

609

572

1,06